Toespraak Theo Salemink 4 mei 2019/Zevenaar

Toespraak Theo Salemink 4 mei 2019/Zevenaar

Toespraak Theo Salemink 4 mei 2019/Zevenaar In vrijheid

 

Ik wil vanavond iets zeggen over de vrijheid, waarvoor in de oorlog 1940-1945 zo hard gevochten is. Met name de vrijheid van en voor minderheden.

 

In de oorlog ging het om de vervolging van verschillende minderheden. Van Roma’s, Sinti’s, homo’s en joden. Ik wil het vanavond in het bijzonder hebben over de vervolging van de joodse minderheid, die al zo lang in Nederland woonde. Zij werden bedreigd, vervolgd en vernietigd door het geweld van een vreemde bezetter. Zij waren net als andere minderheden deel van ons volk, maar werden weggevoerd naar de kampen. En wij, de andere Nederlanders, hebben dat toen niet weten te voorkomen.

 

De vernietiging van de vrijheid ging toen stap voor stap, werd met bureaucratische middelen doorgevoerd. Duitse bezetters legden het grote patroon op, Nederlandse ambtenaren en burgers hielpen mee of waren zwijgende omstanders, niet wetend wat te doen. Vanaf de bezetting in mei 1940 wordt een lange rij kleine stappen zichtbaar. Een waarschuwing voor elke maatschappij. Eerst lijkt het voor de omstanders nog wel mee te vallen, maar de logica van uitsluiting wordt steeds duidelijker. De joodse Nederlanders werden stap voor stap buiten de wet geplaatst, hun burgerrechten aangetast. Joden in openbare functies werden ontslagen. Medewerkers van universiteiten, departementen en gesubsidieerde instellingen moesten een ariërverklaring tekenen. Joodse ondernemers moesten zich laten registeren. Joodse landbouwgronden werden onteigend, ook hier in Zevenaar van de familie Gans. Daarna moesten alle joden zich laten registeren, niet alleen de ambtenaren. Later moesten ze een gele ster dragen. Er kwamen bordjes ‘Voor Joden verboden’. Joden moesten verlof vragen om te verhuizen. Joden mochten geen radio’s meer hebben. Joden mochten geen veemarkten meer bezoeken, een ramp voor de joodse veehandelaren in de Achterhoek en Liemers. Joodse kinderen mochten niet meer naar de openbare scholen. Stap voor stap werden de Joodse Nederlanders gescheiden van de rest van de Nederlanders en via een perfecte registratie lokaliseerbaar voor deportatie. Begin 1942 werden joodse werkkampen opgericht in het Oosten en Noorden van Nederland. Joden mochten geen vervoersmiddelen meer bezitten. Joden mochten niet meer trouwen met niet-joden. En op 21 mei 1942 werd bevolen dat joodse Nederanderfs al hun goud, zilver, antiek, kunstvoorwerpen, waardevolle bezittingen en cultuurgoederen moesten inleveren bij de ‘roofbank’ Lippmann-Rosenthal. In de zomer van 1942 begon de systematische deportatie van de Nederlandse joden via Westerbork of Vught naar Auschwitz en andere kampen. Wij weten wat het gevolg is geweest. Een deel van ons volk, het joodse Nederland, werd vermoord. Ook joodse Nederlanders uit Zevenaar.

 

De filosofe Hannah Arendt sprak bij het proces tegen Adolf Eichman, een van de architecten van de uitroeiing van het joodse volk in vele landen, van ‘banaliteit van het kwaad’.  Het ging allemaal zonder woede en opwinding, het ging via regels en protocollen, machinisten en bewakers. Het ging om het kwaad dat de logica van de bureaucratie volgde. Toen en nu.

 

Wij zien in de huidige maatschappij ook tendensen die de vrijheid van individuen en van minderheden dreigen in te perken. Denk aan de nationalistische retoriek in een aantal landen in Oost Europa, waar critici van het bewind worden beperkt in hun mogelijkheden. Maar ook in ons eigen land is er veel onrust. Mensen worden bedreigd. Minderheden worden object van haat, Joden en moslims. Het is een sluipende proces, waarmee in kleine stapjes de vrijheid bedreigd wordt.

 

Over de plaats van minderheden wil ik dit nog zeggen. Minderheden kunnen een eigen volk zijn of een gezamenlijke groep, omdat ze onderling een gezamenlijk lot delen. Maar minderheden zijn, toen en nu, ook deel van ons volk. Dat hoeft elkaar niet uit te sluiten. Samen vormen wij het Nederlandse volk en hebben dezelfde burgerrechten, dezelfde vrijheden. Onze rechtstaat moet hen allen, ons allen beschermen. Waar zij wonen, waar wij wonen, daar is ons huis en dat is ons volk. En de rechtstaat moet voor allen die in dit gemeenschappelijk huis wonen bescherming beiden. Toen heeft Nederland dat niet kunnen waarmaken, toen. Laat dat een waarschuwing voor nu zijn.