Archief van
Categorie: Opinies

Een minister voor digitale zaken

Een minister voor digitale zaken

[ gepubliceerd in De Gelderlander van 29 mei 2021]

Een minister voor digitale zaken.

Deze week begon de permanente commissie Digitale Zaken onder leiding van Renske Leijten haar werkzaamheden. Ongeveer tegelijkertijd kwam de Raad voor Openbaar bestuur (ROB) met het voorstel een minister voor Digitale zaken aan te stellen. Een korte historische blik op deze ontwikkelingen kan verhelderend werken.

Het was op zijn minst opvallend: Een jaar geleden trok de bedenker van het WWW  – Tim Berners-Lee  – aan de bel . Hij maakte zich grote zorgen over de ontwikkelingen van onze digitale revolutie en dan speciaal het internet. Ik citeer uit een interview met hem in The New York Times: “Gemeenschappen worden uit elkaar gerukt, omdat vooroordelen, haat en desinformatie online worden verspreid.” En verder: “Oplichters gebruiken het web om identiteiten te stelen, stalkers gebruiken het om hun slachtoffers lastig te vallen en te intimideren en slechte individuen ondermijnen de democratie met behulp van slimme digitale tactieken.” Hij komt met een actieplan van 9 punten om het internet te redden. Zijn mondiale actieplan is in elkaar gezet door activisten, academici, bedrijven en overheden. U kunt het raadplegen via…internet natuurlijk!

 

Het is opvallend hoezeer de laatste jaren allerlei mensen ( filosofen, pedagogen, psychologen maar ook ICT-ers) onze digitale wereld aan een kritische blik onderwerpen: verslaving onder met name jongeren aan sociale media via de smartphone of aan online gaming, toegang tot dubieuze pornosites en ‘het dark web’, narcisme promoting via Facebook en Instagram , de twitter-diarree door ADHD gevoelige mensen o.a. politici, de steeds verdergaande privacy-aantasting, datahandel,  fishing, nepnieuws  en zo nog veel meer. En op staatsniveau lijkt het spookbeeld van “Big Brother is watching you” ( Orwell) niet ver weg meer. De hele ‘Toeslagenaffaire’ heeft zeker ook te maken met deze digitale jungle. Niet helemaal verrassend dus dat Renske Leijten de voorzitter is geworden van de nieuwe commissie Digitale zaken

 

Kritische kanttekeningen bij onze digitale revolutie worden vaak al snel als ‘ouderwets’ of ‘overdreven’ afgedaan. Dat nu ook de bedenker en oprichter van het WWW zich zorgen begint te maken, is een teken aan de wand. De Nederlandse internet- pionierster Marleen Stikker spreekt in haar nieuwste boek in verband met deze kwestie over ‘enorm achterstallig onderhoud’. Er is echt wel iets aan de hand!
Voor de duidelijkheid: ik denk dat (bijna) niemand het internet met al zijn mogelijkheden zou willen afschaffen. Afgezien dat dit feitelijk allang niet meer mogelijk is, zien de meest mensen ook de grote voordelen en gemakken van de digitale revolutie. Maar dat wil niet zeggen dat we daarom niet kritisch moeten kijken naar allerlei ontwikkelingen op dit gebied. Een historische vergelijking kan ons daarbij wellicht helpen.

 

De industriële revolutie zoals die zich zo ongeveer vanaf 1800 over heel West-Europa voltrok,  had ingrijpende gevolgen op allerlei terreinen. Uiteindelijk bracht het meer welvaart, ook voor de laagste klassen en veel gemak. Wie zou de wasmachine kunnen missen ! Maar dat lange proces had vanaf het begin kwalijke neveneffecten: kinderarbeid, slechte arbeiderswoningen, onveilige werksituaties, extreem lange werktijden met te lage lonen , steeds meer milieuvervuiling  en ga zo maar door. Daar kwam vooral na 1850 steeds meer kritiek op. Grote maatschappelijke krachten begonnen zich in deze te roeren. Artsen en wetenschappers maar vooral ook vakbonden , socialisten en christelijk-socialen kwamen steeds meer in verzet. Er kwam verandering doordat er regels kwamen voor werktijden, lonen, kinderarbeid, woningen en nog heel veel meer. Niet alles was blijkbaar te reguleren:  de toenemende milieuvervuiling neemt steeds grotere vormen aan en is nu zelfs een van de grootste zorgen voor de geïndustrialiseerde wereld. Ook daar is er een roep om toezicht en maatregelen van bovenaf.

 

Is het ook niet zo met de huidige digitale revolutie? Een paar decennia lang heeft die zich in bijna onbeperkte vrijheid kunnen ontwikkelen. De computer was de toverstaf van de moderne tijd. Er ontstond – zo lijkt het wel eens – een bijna totalitaire gedachtegang: digitalisering is altijd en overal goed en brengt vooruitgang. Het leek alsof ons denken ook in bits was gegoten, in de zin van zwart-witdenken:  je bent voor digitalisering of je bent tegen en dus ouderwets. Een gezonde middenweg met de nodige nuance en keuzes maken was ver te zoeken, niet alleen bij overheid en bedrijven maar ook bij de individuele consument.

Maar zoals ik al aangaf, daar komt langzamerhand verandering in. Zoals we ook de industriële revolutie in de loop der tijd hebben moeten bijsturen, reguleren etc. zo zullen we dat ook moeten bij de digitale revolutie. Dat een van de grote aanjagers van deze revolutie daar nu zelf ook mee komt, stemt tot tevredenheid. De ‘digitale snelweg’ zal net zo als een gewone snelweg ook aan bepaalde regels onderworpen moeten worden en de op- en afritten zullen veilig en duidelijk gemarkeerd dienen te zijn…om chaos en ongelukken te voorkomen. En dat hoeft in een democratische samenleving echt niet te leiden tot een ‘China-internet’ met allerlei censuur van bovenaf.  Misschien moet er voor dit alles eerst maar eens een ‘minister voor digitale zaken’  komen zoals we na de industriële revolutie in 1918 ook een minister voor sociale zaken kregen. Het voorstel van de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) en de aanstelling van de commissie Leijten zijn daarmee hoopvolle historische mijlpalen in de goede richting.

 

Leo Salemink

Historicus

 

 

 

Herijken van de canon. Een kans op een meer niet-Randstedelijke invulling

Herijken van de canon. Een kans op een meer niet-Randstedelijke invulling

[ Gepubliceerd in KLEIO , vakblad docenten geschiedenis. December 2019]

Jarengeleden ( 2006) kwam er de canon van de Nederlandse geschiedenis. De discussies uit die tijd waren heftig en soms ook diepgravend ( zie de bundel Controverses rond de Canon uit 2006) Maar de canon kwam er en er kwam zelfs een fraai canonhuis in het Openluchtmuseum Arnhem.  Heel wat scholieren maar zeker ook volwassenen gingen en gaan er op bezoek. Zeker een geslaagd project, lijkt me.

En nu is er dan de herijking van de canon onder leiding van hoogleraar James Kennedy. Het heeft weinig zin oude discussies weer op te rakelen, maar opnieuw eens kritisch naar de canon kijken kan geen kwaad. In dit verband is het bijvoorbeeld opvallend hoezeer onze Vlaamse vakbroeders de canon principieel en beargumenteerd afwijzen ( zie  website van VVLG). Hun argumenten kunnen ook bij de herijking wellicht zinvolle stof tot nadenken geven. Verder zijn er al de nodige uitingen over herijking in de pers verschenen: de ‘zwarte bladzijdes’  uit onze geschiedenis moeten sterker naar voren komen en dan met name het slavernijverhaal, de ‘de gouden eeuw’ zou ook wel eens op meer neutrale wijze gepresenteerd mogen worden, er moeten meer lijntjes komen met de wereldgeschiedenis en zo zijn er nog wat meer voorstellen.

Mijn bijdrage in deze herijkings-discussie gaat een andere richting uit. Ik heb er ook al eens eerder in Kleio over geschreven en ook elders naar voren gebracht maar het kan geen kwaad juist nu dit nog eens aan te scherpen.

De kern van mijn betoog: Natuurlijk is het logisch dat veel vensters een Randstedelijke link hebben. Daar gebeurde heel veel op allerlei gebieden… heel veel moois of zeker ook bijzondere zaken. Maar  deze begrijpelijke nadruk is onevenwichtig en soms zelfs stuitend. De canon heeft een zwaar Randstedelijk karakter, zowel in keuzes van vensters maar ook in de uitwerking van die 50 vensters. Juist een herijking van de canon biedt mogelijkheden hier iets aan te veranderen. Jarengeleden is dit al eens naar voren gebracht door de hoogleraren Maria Grever en Dolly Verhoeven ( en door ook nogal wat regionale historici en journalisten ). Sommigen  spraken over het ‘Hollandocentrisme’ van de canon. Misschien is dat nu anno 2019 wel enigszins verklaarbaar vanuit de politieke sfeer in de jaren voor 2006: opiniemakers en politici hadden het in een steeds hoger oplopende discussie over onze ‘nationale identiteit’ die onder druk zou staan en dus verdedigd moest worden. En als je dan gaat zoeken kom je snel bij ‘Holland’ en haar bijzondere geschiedenis. Natuurlijk wel breder en kritischer dan ‘onze VOC-mentaliteit’ ( Rutte) maar toch…de hoofdlijnen leken duidelijk.

De basisschoolboekjes, die daarna tamelijk canon-dekkend werden, weerspiegelen deze ontwikkeling. Neem bijvoorbeeld de veel op basisscholen gebruikte methode Wijzer door de Tijd.  Mooie boekjes, maar van de 48 kleine hoofdstukjes die gaan over Nederland vanaf 1600 gaat er nog niet een over Zuid- of Oost-Nederland of het leven op het platteland; het blijft bij een half hoofdstukje over arme turfstekers in Drenthe. Dit is des te opmerkelijker omdat toen ongeveer 50% van de bevolking op het platteland woonde en daar veelal als boer, dagloner of boerenknecht werkte. Veel moderne Nederlanders hebben hun ‘roots’ in deze eeuwenoude boerencultuur! Ook dat wordt nogal eens vergeten.

Opvallend is wel dat na het verschijnen van de nationale canon een ware stortvloed van regionale canons is ontstaan. Niet alleen een Friese en Limburgse canon maar ook allerlei lokale varianten. Ik kan het niet anders zien dan als een ( gezonde) reactie op het Randstedelijke karakter van de nationale canon. ‘Elk nadeel heb zijn voordeel’ zou Cruyff zeggen.

 

Laten we proberen de zaakjes wat meer inhoud te geven: hoe zit dat met die in mijn visie nogal Randstedelijke canon? Laat ik puntsgewijs en wat ‘kort door de bocht’ enkele argumenten op een rijtje zetten, van meer algemeen naar concreet. Ook zal ik impliciet proberen wat voorstellen te doen voor nieuwe vensters of aanpassing van een bestaand venster.

 

  • De canon wilde in 2006 uitdrukkelijk ‘een canon voor alle Nederlanders zijn’. Maar in de canon lijken boeren en boerinnen – sterk vertegenwoordigd in Oost en Zuid-Nederland – bijna niet voor te komen. Ook al is in 1800 nog 45 % van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en in 1900 nog 35 % , in de vensters komen ze niet of nauwelijks aan bod. Het lijkt erop alsof er een soort anachronistisch frame over het verleden wordt gelegd in de trant van : nu is minder dan 5% boer ( met trouwens wel een gigantische productiecapaciteit) ….dus we leggen daar in een terugblik op ons nationaal verleden maar niet te veel nadruk op. De kleine boer uit Oost en Zuid Nederland lijkt niet te bestaan. Een typering van de half-feodale verhoudingen in bijvoorbeeld Gelderland en Overijsel – zo belangrijk voor al die kleine boeren – ontbreekt.
  • De ingrijpende mechanisatie en industrialisering van delandbouw na de WO2 onder leiding van Mansholt komt niet te sprake. Deze ontwikkeling heeft niet alleen de  landbouwsector totaal veranderd, maar heeft ook enorme gevolgen gehad voor inrichting van het platteland, omgaan metde schaarse natuur, dierenwelzijn etc. Een venster Mansholt lijkt me in dit verband niet overbodig. Aan deze kleurrijke figuur valt heel wat aan op te hangen, zelfs een groeiend ecologisch bewustzijn, klimaatdiscussie e.d.
  • De zogenaamde ‘Gouden eeuw’. In de media is er al veel over gesproken in verband met de slavernijdiscussie. Maar ook vanuit een niet-Randstedelijke blik is de beschrijving van deze eeuw in de huidige canon – verspreid over meerdere vensters – bijna stuitend. Terwijl Holland floreerde in zijn gouden eeuw (waarvoor terecht veel aandacht !), is het in Zuid en Oost Nederland wel anders. Daar heerst lange tijd een constante burgeroorlog tussen Staatse en Spaanse troepen die nog het best te vergelijken is met de huidige situatie in Syrië en Irak. Terreur, vluchtelingen,  platbranden boerderijen, opgelegde oorlogsbelastingen, verkrachtingen, moordpartijen …het was jarenlang schering en inslag. Volgens bronnen uit die tijd was het platteland regelmatig onleefbaar. Bepaald geen gouden eeuw. Rond het rampjaar 1672 is het beeld niet veel anders: Holland weet met moeite een bezetting te voorkomen, maar met name Gelderland en Overijssel krijgen de volle laag. Zoals Enny de Bruijn in haar sterk niet-Randstedelijk boek De Hoeve en het Hart (2019) schrijft: “Er is een andere Republiek geweest in de schaduw van die bekende Hollandse republiek uit onze geschiedenisboekjes”.
  • De zuidelijke ‘Generaliteitslanden’ Brabant en Limburg komen niet of nauwelijks aan bod. Hoogleraar Maria Grever e.a. wezen er al eens op. Niet alleen verdwijnt ook hier de kleine boer uit de geschiedenis maar ook niet-agrarische aspecten lijken te verdwijnen vanuit de Randstedelijke focus: de Limburgse mijnen, de opkomst en invloed van Philips …
  • In directe relatie met bovenstaande valt ook op hoezeer de katholieken ( toch bepaald geen kleine bevolkingsgroep) een beetje onder het tapijt van een nationale canon zijn verdwenen. Een protestants- liberale toon overheerst. Een typering van ruim twee eeuwen katholieke achterstelling sinds de opstand tegen Spanje ( met schuurkerken als icoon) en de stormachtige katholieke emancipatie vanaf 1853 ontbreken. De verzuiling – een toch wel zeer kenmerkend aspect van onze moderne geschiedenis – ontbreekt als venster. Opmerkelijk! Alleen in het venster Veelkleurig Nederland komt het halfslachtig om de hoek kijken. Juist in het kader van een venster gebaseerd op de Verzuiling zouden katholieken aan bod kunnen komen, naast protestanten en socialisten. Het lijkt me dat zo’n venster te verkiezen is boven ‘buitenhuizen in 17e en 18e eeuw’. Dat nieuwe venster is zeker ook voor basisschoolleerlingen concreet te maken en op allerlei manieren te actualiseren ( achtergrond school, opa en oma …)

 

Ook bij de uitwerking van de huidige vensters valt op hoe weinig geschiedenis er blijkbaar is buiten de Randstad. Een paar voorbeelden.

 

  • Bij het venster van de crisisjaren lezen we niets over de desastreuze gevolgen van de crisis voor het platteland en ook niets over de werkloosheid in de Twentse textielsteden. De ingrijpende landbouwcrisis van eind 19e eeuw is natuurlijk al helemaal niet de moeite waard terwijl die voor zoveel kleine boeren in Oost en Zuid Nederland nogal ingrijpende gevolgen had, negatief en positief trouwens.
  • Bij de patriotten noemt men wel het beroemde Aan het volk van Nederland maar Joan Derk van der Capellen tot den Pol blijft onbesproken. Deze Oost-Nederlandse edelman begon zijn politieke loopbaan met het zich inzetten voor de boeren in Overijssel tegen de feodale heren. In bijna elk schoolboekje komt hij voor, maar niet in de canon.
  • Aletta Jacobs. Natuurlijk hoort ze in de canon thuis maar waarom in de bijbehorende tekst met geen enkel woord iets over het zware leven van al die dagloonsters en boerinnen op het platteland. Er is echt wel het nodige over geschreven. Ook daar kwam – later dan in de steden – een voorzichtige maar wel breed gedragen emancipatie op gang via de boerinnenbonden.
  • Bij de WO2 zijn het weer voorbeelden uit de Randstad die overheersen terwijl toch ook bijvoorbeeld het drama van Putten, het bombardement van Nijmegen ( met o.a. de totale verwoesting van een kleuterschool waar 24 kinderen verbleven) genoemd zouden kunnen worden Natuurlijk zijn ook andere voorbeelden mogelijk en misschien nog wel ‘betere’.
  • De strijd tegen het water is een terecht een belangrijke lijn in de canon. De ramp van 1953 komt uiteraard aan bod. Maar je leest niets over de desastreuze overstromingen en constante strijd daartegen in de rest van Nederland, in de eeuwen daarvoor. Ik doel hier bijvoorbeeld op de talloze rampen in de Betuwe en Liemers en bijv. de overstroming van de Maas in 1643.  Pas de overstromingen van 1995 lijken de canonmakers de ogen geopend te hebben voor overstromingen en dijken in de rest van Nederland.

Kortom: Als we de bij de canondiscussie veel gebruikte metafoor van ‘Huis van Nederland’ als uitgangspunt nemen dan valt wel op dat de woonkamer groot en riant is uitgevallen, enkele andere kamers wat eenzijdig zijn ingericht en sommige kamers zelfs op slot zijn.  De herijking van de canon biedt mogelijkheden daar verandering in aan te brengen. Een paar nieuwe vensters lijkt me wenselijk en zeker ook aanpassing van de teksten bij sommige  gehandhaafde vensters.

 

_____________________

ALS U VERDER NAAR BENEDEN SCROLT, VINDT U NOG EEN ARTIKEL OVER DEZELFDE KWESTIE: ‘GESCHIEDENIS VOORBIJ DE RANDSTAD’  ( Kleio, mei 2015) 

 

Scroll-overzicht opinies

Scroll-overzicht opinies

Van boven naar beneden vindt u de volgende opinies:

  • Discriminatie mag niet wennen ( Leo)
  • Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber ( Leo)
  • Dubbele loyaliteit ( Theo)
  • Een beetje Nederlander, kan dat ook ?  (Leo)
  • Waarom wel/niet een dubbele identiteit ( Theo)
  • Geschiedenis voorbij de Randstad ( Leo)
  • Een Verenigde Staten van Europa als utopie ( Leo)
  • Op de rug van de tijger ( Theo)
  • Cultureel racisme ( Theo)
  • Gebruik knop “Ouder bericht” voor de volgende bijdrages >>>
  • Het Romantisch liberalisme van Schengen ( Leo)
  • De verwende burger op oorlogspad ( Leo)
Discriminatie mag niet wennen (Leo/jan. 2018)

Discriminatie mag niet wennen (Leo/jan. 2018)

     [ Op opiniepagina van De Gelderlander van 19-1-2018]

Zaterdag 6 januari presenteerde Coen Verheij zich als lijsttrekker van de PVV in Arnhem. Hij was door Marjolein Faber – PVV-statenlid en vertrouweling van Geert Wilders – geselecteerd en naar voren geschoven. Sprekend over de multifunctionele centra in de stad zegt hij: “En wanneer je 75 bent en van Turkse afkomst? Als je de Nederlandse normen en waarden onderschrijft, ben je van harte welkom. Niet als je aanhanger bent van de islam.”

Toen ik dit las had ik iets van: ach niet weer dat PVV-gedoe. Daar op ingaan is al zo vaak gebeurd en bepaald niet meer ‘sexy’ voor een krant. Ik bespaar me de moeite. Maar het bleef wringen en borrelen in mijn bovenkamer. Gaan we blijkbaar wennen aan dit soort uitspraken, zoals we na een jaar wennen aan het raaskallen van Trump via twitter.

Als dat zo is, dan gaan we dus wennen aan discriminatie. Immers hoe is de opmerking anders te verstaan als een oproep tot discrimineren en dus in strijd met artikel 1 van de grondwet waarin discriminatie op basis van godsdienst of levensovertuiging strafbaar is gesteld. Mijn goedaardige, bejaarde en gelovige Turkse buurman moet  wellicht vrezen dat hij de openbare bibliotheek, die hij zo graag bezoekt voor een krantje en een kop koffie, niet meer in mag? Staat er dan een bordje bij de ingang: ‘verboden voor moslims’?

Coen Verheij geeft als argumentatie dat de islam imperialistisch is en niet samengaat met democratie. Dat soort redeneringen kennen we. In de meest godsdiensten zitten imperialistische trekjes en erg democratisch gaat het er meestal niet aan toe. Zie de geschiedenis van het christendom tot nu toe. En de islam degraderen tot een ( gewelddadige) politieke ideologie is in strijd met elk gezond verstand. Binnen alle godsdiensten heb je allerlei stromingen van zeer gematigd/liberaal tot extreem/gewelddadig, zeker als je ze in historisch perspectief bekijkt. Alles op een hoop gooien is demagogie en stuitend voor al die brave en hardwerkende gelovige moslims. Zoals mijn bejaarde Turkse buurman die graag op de bibliotheek komt.

Ook wil Verheij alle moskeeën en een islamitische school in de stad sluiten. Eeuwen geleden deed de calvinistische overheid dat ten aanzien van katholieke kerken in ons land. Vanaf de Franse tijd en zeker na Thorbecke was dit definitief voorbij. Het voorstel van Verheij lijkt me dan ook in strijd met een ander artikel uit de grondwet namelijk artikel 6 waarin het vrij uitoefenen van godsdienst staat omschreven. Een waarde waar Nederlanders al eeuwenlang zo trots op zijn.

In dit alles lijkt Verheij een goede leerling van zijn beschermvrouwe Marjolein Faber. Zij mengde zich vorig jaar in een discussie over een -vanuit historisch-educatief oog punt!-  te bouwen moskee in het Openluchtmuseum ongemeen fel in de strijd. Ze noemde zo’n moskee een ‘haathut’ en ‘rotzooi’ die je je gezin bij een gezellig uitstapje toch wilt besparen…Een gerespecteerd parlementair journalist concludeerde al eens dat Wilders vergeleken bij Faber een watje is. En zo lijkt het wel.

Natuurlijk is er weer de verleiding dit alles te relativeren: het zijn wat rare uitspraken van een partij die aan de verliezende hand is… het zijn vooral uitspraken voor de eigen aanhang etc.

Dat relativeren lijkt me gevaarlijk. In de eerst plaats is het knagen aan de fundamenten van een rechtsstaat – hoe beperkt ook – altijd oppassen geblazen. Het gaat snel van kwaad tot erger. Dat leert de geschiedenis ons in allerlei toonaarden ( landen in jaren dertig), maar ook het heden ( denk aan Turkije en Polen). Maar zorgwekkender is het gegeven dat dit soort opmerkingen langzamerhand ‘bon ton’ beginnen te worden met een breed uitstralingseffect. Groepen Islamitische Nederlanders voelen zich meer en meer gestigmatiseerd door dit soort uitingen. Meer en meer Turkse en Marokkaanse Nederlanders voelen zich ongemakkelijk als ze zich uiten over hun geloof of cultuur. Jarenlange stigmatisering kan leiden tot het ontstaan van een soort tweederangsburgers met alle gevolgen van dien. Zover is het nog niet echt, maar ook hier geldt: het kan snel van kwaad tot erger escaleren, zeker als er rellen zouden ontstaan in achterstandswijken of er een aanslag van IS zou plaatsvinden. Al met al genoeg redenen om niet te gaan wennen aan discriminerende uitspraken en daar tegen op te treden, desnoods ook juridisch maar ook zeker via de media.

 

Leo Salemink

Historicus en ex-docent Geschiedenis

 

 

 

 

Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber

Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber

Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber. ( Leo / juni 2017)

 

Begin deze maand kwam de directie van het Openluchtmuseum in Arnhem met een voorlopig  plan om in een nog te realiseren naoorlogse wijk ook een moskee te bouwen in het kader van de toestroom van gastarbeiders uit bijvoorbeeld Turkije en Marokko. Ik neem aan dat men daarbij doelt op de eenvoudige gebedshuizen zoals die in oude loodsen of garages ontstonden. In veel Nederlandse steden zijn die te vinden. De Eyup Sultan moskee in Nijmegen en de Al Fath moskee in Arnhem zijn daar  goede  voorbeelden van.

De reacties waren direct heftig en massaal. Met name de reactie van mevr. Faber ( prominent PVV-er in de Gelderse Provinciale Staten en in de Eerste kamer) viel op: “De Islam heeft ons de oorlog verklaard. Dan wil je toch niet zo’n haathut in je museum. Ga je een dagje met je gezin op stap, sta je nog oog in oog met die rotzooi. ” Online kreeg ze veel bijval en…kritiek.

Na de ‘kopvoddentax’ en  de ‘minder Marokkanen-rel’ is er nu ‘de haathut’ om daarmee het gebedshuis aan te duiden waar zoveel goedwillende en hardwerkende Nederlandse moslims troost en kracht vinden.  Mevr. Faber had zich in de Eerste kamer ( november 2016) ook al in ongekend harde en venijnige bewoordingen uitgelaten over Syrische asielzoekers die ze aanduidde als ‘profiteurs uit de islamitische woestijn’, als ‘kansloze gelukszoekers’ en als ‘vijfde kolonne’. Een gerespecteerd parlementair journalist kon hierna slechts concluderen: vergeleken bij Marjolein Faber is Geert Wilders een watje.

Mevrouw Faber wil de Nederlandse geschiedenis herschrijven op basis van haar politieke PVV-standpunten. Opvallend is daarbij hoezeer deze toch hoogopgeleide dame -naast weinig kennis van de islam en de verschillende stromingen daarbinnen – een pijnlijk gebrek aan historisch besef ten toon spreidt. In haar toespraak in de Eerste kamer schetst ze hoe vanaf 1400 jaar geleden de islam naar het westen is getrokken met een spoor van verkrachtingen, moord en oorlog achter zich aan … De gewelddadige kruistochten vanuit West-Europa en het westers Imperialisme in de Arabische wereld blijken in haar visie niet te bestaan. Ook beseft ze niet hoezeer de islam historisch verbonden is met de Nederlandse cultuur. Niet alleen op basis van de arbeidsmigratie na de WO2 die toch niet te ontkennen valt, maar al veel eerder. Willem van Oranje vroeg al steun bij moslims in zijn strijd tegen Spanje.  En Nederland was eeuwenlang via haar kolonie Nederlands-Indië het grootste islamitische land ter wereld. Die eeuwenlange verbondenheid is overal terug te vinden in archieven, musea en boeken.  Of wil mevr. Faber ook het Nederlandse kolonialisme schrappen uit de geschiedenisboeken?

Wat betreft de woordkeuze van mevr. Faber in haar reactie op het voorstel van het openluchtmuseum en in haar toespraak in de Eerste kamer, kan men zich de woedde vanuit moslimhoek goed voorstellen. Je kunt en moet kritiek hebben op moslimextremisme, op de haatpreken van enkele imams of bijvoorbeeld op de positie van de vrouw binnen de islam.  Maar het getuigt van een giftige en haatdragende moraal om  te spreken over een ‘haathut’  en ‘die rotzooi’.

Zo stigmatiserend  en associatief (link met terroristen) te keer gaan tegen ‘de islam’ als geheel en tegen een bepaalde  Nederlandse bevolkingsgroep,  kan alleen maar averechtse reacties oproepen. Het zal de integratie van moslims bepaald niet bevorderen, lijkt me. Het doet je denken aan andere tijden die ik hier niet verder benoem om niet te vervallen in een zelfde taalgebruik als dat van mevr. Faber.

En als historicus zou ik willen toevoegen: De geschiedenis herschrijven naar eigen politieke inzichten is in de 20e veel gebeurd, door rechts en links; te denken valt aan de regimes van Hitler, Stalin , Honnecker, Mao en nog vele anderen. Hoe bescheiden ook, de reactie van mevr. Faber gaat in diezelfde richting. Is de volgende stap wellicht het weghalen van boeken over de islam of van islamitische schrijvers uit de openbare bibliotheek als niet passend bij het Nederlandse erfgoed? En hoe gaan onze geschiedenisboeken er dan uitzien? Laat het Openluchtmuseum zijn werk doen en laten we niet zwichten voor een politiek herschrijven van ons verleden. Als we het verleden naar onze hand gaan zetten, dan belooft dat weinig goeds voor de toekomst!

Leo Salemink

Historicus

Dubbele loyaliteit ( Theo)

Dubbele loyaliteit ( Theo)

Dubbele loyaliteit

Theo Salemink

 

Een paar dagen voor de verkiezing op 15 maart 2017  leek Rotterdam in vuur en vlam te staan. Turken demonstreerden omdat de Nederlandse regering en de lokale burgemeester twee ministers uit Turkije de toegang tot het land weigerden. De politie trad met macht op. Turken zwaaiden met Turkse vlaggen. Rellenschoppers gooiden stenen. De lijststrekker van de VVD, annex minister-president Mark Rutte zette hoog in. Wilders zag zijn kans schoon. De islam, de islam in aantocht, riep hij. De andere politici in verkiezingstijd, incluis Jesse Klaver, durfden geen afwijkende mening te uiten. Elk woord van begrip zou stemmenverlies betekenen in een populistisch klimaat. Er waaide een spook door Nederland – het spook van het populisme.

 

Waar gaat het over?

 

Bepaalde Nederlanders hebben een tweede nationaliteit. Bijvoorbeeld de helft van de Turken. Zij voelen zich verbonden met Nederland én met Turkije. De meesten van hen, zo lijkt, zijn aanhangers van Erdogan, herinneren zich de recente couppoging in Turkije, die Erdogan ternauwernood de baas werd. Zij leven mee met een staat ver weg, die met de middelen van geopolitiek een sterke plaats op het wereldtoneel wil heroveren, tussen Poetin en Trump, met de hete adem van een grote oorlog in het Midden-Oosten in de nek. Andere Nederlandse Turken voelen zich bedreigd, zien een dictatoriale ontwikkeling in hun eerste vaderland of worden als terrorist afgeschilderd. Nog andere Nederlanders, de oude inwoners, zijn verbijsterd over de aanval op de democratie, althans in hun ogen. Dat Nederlanders met Turkse vlaggen zwaaien vinden ze een gruwel. Dat Erdogan Nederlandse Turken ‘staatsburgers’ van Turkije noemt is vloeken in de kerk van het liberale-democratische Nederland van na de verzorgingsstaat. Dat de Turken bovendien moslims zijn roept oude en nieuwe angsten op.

 

Maar wat is het probleem?

 

Blijkbaar is het een probleem dat sommige Nederlanders een dubbele loyaliteit hebben, een dubbele nationaliteit, bovendien een loyaliteit met een autoritair regime in een andere staat. Nationalisme was in Europa na 1945 toch een negatieve ideologie geworden. Nationalisme, verbonden met discriminatie en racisme, was immers de voedingsbodem geweest van twee grote oorlogen en van een genocide tegen een groot deel van de Europese joden. Nooit meer oorlog, nooit meer racisme, nooit meer nationalisme, dat was de droom zeker van links. En nu blijken bepaalde Nederlanders opnieuw een sterk nationalisme te ontwikkelen. Niet voor het ’eigen’ land, Nederland, maar voor een ‘vreemd’ land: Turkije. Was Turkije een voorbeeldig, democratisch, liberaal land geweest, gevoed door een ‘Turkse lente’, trouw lid van de NAVO, zonder avances richting Poetin en Assad, dan was er geen probleem. Waarom zouden Turkse Nederlanders geen sentimentele binding met hun land van herkomst mogen hebben, zoals andere Nederlanders in Amerika, Canada of Nieuw Zeeland nog al wat Hollandse sentimenten hebben en exotische gebruiken uit hun oude vaderland in leven houden. Maar verbondenheid, zelfs politieke verbondenheid met een autoritair regiem, een bijna-dictatuur, een moslimland? Dat lijkte een brug te ver in het huidige klimaat.

 

Mohamed El Bachiri

 

Laat ik daar een ander verhaal tegenover zetten. Mohamed El Bachiri, een Belgische metrobestuurder van Marokkaanse komaf, verloor zijn vrouw Loubna tijdens de terroristische aanslagen in Brussel 2016. Hij bleef achter met kleine kinderen. Hij probeert niet te vallen in een voor de hand liggende reactie van haat en wraak tegen de moordenaars van zijn vrouw. Hij is zelf moslim, maar streeft een andere jihad na, een ‘jihad van liefde’, zoals het boekje heet dat hij schreef. Hij denkt na over zijn dubbele nationaliteit en loyaliteit. Hij zegt: “Dat ik bij twee landen hoor is een geluk bij een ongeluk. Ik ben een kind van Brussel, maar ik voel me ook gesteund door Marokko”. Zijn dubbele nationaliteit is hem in dit diep verdriet een steun en troost. Hij wordt zelfs door de koning van Marokko ontvangen, op diens kosten in het vliegtuig met de kinderen naar Marokko gereisd. De koning is een vader voor hem, maar voelt zich ook gesteund door de mensen in Brussel. Een ander beeld van een dubbele nationaliteit.

 

Katholieken

 

Ooit speelde in Nederland een andere discussie over dubbele loyaliteit. Het had te maken met het oude calvinisme, de nieuwe natiestaat na de Bataafse tijd en de katholieke minderheid. Katholieken zouden loyaal zijn aan een vreemd staatshoofd (de paus als hoofd van de Vaticaanse Staat in midden-Italië); katholieken droegen de witgele vlag van het Vaticaan; katholieken zouden de publieke ruimte van de nieuwe staat bevuilen met gevaarlijke rituelen, mn. processies; katholieken bouwden te hoge kerktorens (neogotische kerken), katholieken zouden antidemocratisch zijn; katholieken zouden ketters zijn en beleden een gevaarlijke, middeleeuwse godsdienst. Die confrontatie speelde niet enkel in de negentiende eeuw, maar ook nog na 1945. En het waren niet enkel conservatieve politici en orthodoxe protestanten die dit gevaar zagen. Laat ik het voorbeeld van de Hervormde Synode nemen uit het jaar 1950, maar ik begin bij C.J. Dippel.

 

C.J. Dippel (1923-1970) was een opmerkelijk figuur. Hij was geen theoloog van professie, maar wetenschappelijk medewerker bij het natuurkundig laboratorium van Philips in Eindhoven, een vrijplaats voor onconventionele denkers. Hij was lid van de PvdA tussen 1946 en 1961 en verliet de partij na een reeks teleurstellingen over de Indonesië-politiek, de Nieuw Guinea-politiek, de Navo-politiek en de atoombewapening. Dippel was ook redacteur, samen overigens met Banning, van het progressieve protestantse blad Wending. Maandblad voor evangelie en cultuur tussen 1946-1965. Hij wordt beschouwd als een criticus van ‘heidense cultuur’ en ‘christendommelijkheid’. In 1947 publiceerde Dippel het grote boek Kerk en wereld in crisis. Met als programmatische ondertitel Een appèl tot christelijke solidariteit in democratisch-socialistische politiek en maatschappelijke omwenteling. Dat boek gaat over veel zaken, maar ook over katholieken. Hij verwijt de katholieke kerk een ‘theocratische pretentie’. Opmerkelijk is ook dat hij het oude processieverbod ten opzichte van de katholieken verdedigt, een verbod dat in die dagen ook vanuit de PvdA opgeheven dreigde te worden. Vanuit zijn orthodoxe theologie stelt hij: “[de kern van het reformatorisch verzet is] dat de reformatorisch belijdende burger het niet kan dulden, dat de openbare straat en de politiemacht van de Staat gebruikt wordt voor een zaak, die in zijn ogen een godslastering en vervloekte afgoderij is. Hoeveel eerbied hij ook voor roomsche godsdienstigheid heeft – het knielen en eerbied bewijzen voor iets, wat niet goddelijk is, wordt door hem als afgoderij beschouwd. Dat mag de roomsche in zijn kerk doen en in zijn huis. Maar op de openbare straat zal de Staat deze ergernis voor andere burgers niet mogen toelaten”.[1] Kortom, de publieke ruimte mag niet door afgoden bezet worden, ook niet door katholieke afgoden, noch die van communisme of kapitalisme, zegt Dippel, die voor het overige kiest voor het socialisme.

 

Synode 1950

 

Deze antikatholieke attitude, gebaseerd op de barthiaanse visie op de ‘heidense rol’ van een natuurlijke religie binnen het katholicisme kan men ook terugvinden in een Herderlijk schrijven van de Hervormde Synode uit 1950 Betreffende de Rooms-Katholieke Kerk.[2] De synode noemt de katholieke kerk intolerant en antidemocratisch, wijst op de machtsstreven van deze kerk en over de gevaren van het katholicisme voor de geestelijke vrijheid van de burger: “Uit de vereenzelviging van het Koninkrijk Gods en de Kerk vloeit ook voort, dat de R.K. Kerk heel moeilijk tolerant kan zijn, d.w.z. aan andere levensovertuigingen moeilijk ruimte kan laten [… er is reden voldoende om] de R.K. Kerk te beschouwen als een voortdurende bedreiging voor de geestelijke vrijheid.”[3] Men wijst vervolgens op het heuglijke feit dat de laatste tijd vooraanstaande katholieke personen een pleidooi houden voor ‘echte geestelijke vrijheid als niet strijdig met de R.K. leer’. Men doelt daarbij naar alle waarschijnlijkheid op de geluiden uit de kring van katholieke personalisten en doorbraak-politici. De synode spreekt zijn bezorgdheid uit over ‘de afbuiging ten opzichte van het Evangelie der Schrift’ in de katholieke kerk. Daar wordt het Woord van God gelijk gesteld met het gezag van de kerk. Daarom moet de hervormde christen steeds ‘waakzaam’ zijn in de praktische samenwerking met de katholieke kerk.

Aan het synode-schrijven is een memorandum toegevoegd over de discussie met betrekking tot het processieverbod, in de lijn met de argumenten van de boven besproken Dippel. Een katholieke processie in de publieke ruimte is een uiting van absolutisme: “Met het processieverbod staat heel onze staats- en levensorde op het spel. De processie is immers de voorloopster van wat ons te wachten staat, als het R.K. absolutisme heel het publieke leven voor zich opeist. Waar de R.K. de overmacht heeft, is voor andersdenkenden niet meer speelruimte dan ze op straat hebben, wanneer ze een processie zien. Wij houden er ons van overtuigd, dat wij, om des gewetenswille protesteren tegen de straatprocessie, tevens opkomen voor wat Nederland tot Nederland heeft gemaakt, voor wat allen burgers gemeen en dierbaar is. Democratie kan niet rusten op een leeg en formeel vrijheidsbegrip. Een land waar allen vrij zijn om alles te doen, verliest die echte vrijheid. Daarmee kan ook het Rooms Katholicisme niet gediend zijn.”[4] Opmerkelijk is dat deze vijftig jaar later zo bekend klinkende ‘kultuurstrijd’ – maar in de nieuwe fase gericht tegen de islam – in 1950 niet gevoerd werd door conservatieve of liberale theologen maar door theologen die progressief waren, door Karl Barth gevoed en vaak met socialistische sympathieën.

De Hervormde Kerk en Dippel in 1950 verweten de katholieke kerk en de katholieke minderheid in Nederland een gebrek aan loyaliteit tegenover de Nederlandse natiestaat, tegenover democratie en rechtstaat, maar hadden ook kritiek op een gevaarlijke, religieuze kern van het katholicisme: theocratie. In de huidige discussies over Turken spelen al deze zaken opnieuw. Loyaliteit met een andere staat, geen respect voor democratie en rechtstaat en een gevaarlijke impuls vanuit een orthodoxe islam. Het is toch nog goed gekomen met de katholieken in Nederland. Maar die geschiedenis kan wel gelden als een soort waarschuwing in het heden. Misschien zijn de grote woorden tegen Turken en islam wel erg door de waan van de dag en een verkeerd soort liberalisme en christelijke steilheid brepaald.

 

Nieuwe uitdaging

 

De uitdaging voor het nieuwe kabinet na de verkiezing van 15 maart 2017 is niet om de dubbele nationaliteit en loyaliteit met repressieve maatregelen onder druk te zetten, maar om bestuurlijk en mentaal te aanvaarden dat er in toenemende mate Nederlanders zullen zijn die een dubbele politieke loyaliteit hebben, die zij niet zullen opgeven, en dat ze onder druk hun tweede loyaliteit fel zullen verdedigen. Dat betekent ook dat Nederland in de toekomst niet enkel een interne politieke verdeeldheid kent, tussen rechts en links, tussen groen en niet-groen, tussen confessioneel en niet-confessioneel, maar ook een externe verdeeldheid. De politieke conflicten en verdeeldheid van bijvoorbeeld het Turkse ‘moederland’ zullen binnen Nederland hun plaats hebben. Het is net als met vrijheid van meningsuiting.  De staat en de politici moeten niet van bovenaf de inhoud van de meningen van de burgers voorschrijven en invullen. De rechtstaat geeft via de wet de grenzen van de vrije meningsuiting aan. Zo zal het ook gaan met de vrijheid van politieke vereniging en politieke meningsuiting van bijvoorbeeld Turkse Nederlanders. Zo lang ze zich aan de Nederlandse wet houden is er geen probleem, ook al zullen bepaalde politici en regeringsvertegenwoordigers de meningen en demonstraties van een deel van de Turken afschuwelijk vinden. Dat mag. Persoonlijk zie ik in de ontwikkeling onder Erdogan ook een groot probleem. Maar de staat en de politiek gaan niet over persoonlijke visies en gevoelens.

Maar is het zwaaien met Turkse vlaggen tegen de wet? De staat is van ons allen. Maar de staat is er niet voor om allen op te voeden. De staat is er voor om rechtsgelijkheid en rechtsbescherming aan allen te geven, ook als men het inhoudelijk of moreel niet eens is met het optreden van bepaalde burgers.

Op politiek niveau betekent dat ook dat de omgang met het ‘Turkse-Erdogan sentiment’ niet via een polarisatie vanuit een meerderheid met verbaal en politiek geweld bestreden moet worden, maar dat ook hier het aloude Nederlandse poldermodel een rol kan spelen. Compromissen nastreven. Samenwerken met groepen die ideologische of anderszins ver van elkaar af staan, zoals ook ooit liberalen en socialisten elkaar uit noodzaak opzochten, zonder elkaar te willen vernietigen. Accepteer als politicus dat bepaalde Turks-Nederlandse burgers optreden en spreken over de ‘Turkse kwestie’ op een manier die niet gedeeld wordt door velen democratische, liberale en socialistische medeburgers, maar dat met repressie optreden tegen deze Turkse Nederlanders geen recht doet aan de rechtstaat. Maar ga tegelijk met alle overtuiging in gesprek en debat met elkaar. Rutte had de ministers van Turkije ook met egards kunnen ontvangen, een zwarte limousine beschikbaar stellen vanaf Schiphol, maar tegelijk had hij met deze politici mee kunnen gaan en samen met hen een toespraak houden op een AK-bijeenkomst om zijn visie uit te leggen. Is dit multiculturele utopie of praktisch realisme?

 

[1] C.J. Dippel, Kerk en wereld in crisis. Een appèl tot christelijke solidariteit in democratisch-socialistische politiek en maatschappelijke omwenteling, ‘s-Gravenhage 1947, 445.

[2] Herderlijk Schrijven van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk betreffende de Rooms-Katholieke Kerk, ’s-Gravenhage 1950.

[3] Idem, 66-67.

[4] Idem, 90.

Een beetje Nederlander…kan dat ook? (Leo)

Een beetje Nederlander…kan dat ook? (Leo)

[ Op basis van opiniebijdrage in De Gelderlander van  19 0kt 2007]

Een beetje Nederlander…kan dat ook?

Leo Salemink

“De Nederlander bestaat niet” zei prinses Maxima in 2007  bij de presentatie van het WRR-rapport  Identificatie met Nederland. Met enkele geslaagde grapjes ( een koekje bij de thee) en scherpzinnige opmerkingen (over hoe identiteit ontstaat) kreeg ze die Nederlander wel op de kast. Althans een bepaalde deel van die Nederlanders. Wilders noemde het ‘prietpraat’, Verdonk was echt een beetje van slag, Paul Scheffer noemde haar ‘hooghartig’ en de Oranjeverenigingen waren hevig teleurgesteld dat ze de Nederlandse identiteit niet had gevonden. Sommigen spraken zelfs over een belediging van het Nederlandse volk…

Wat is dat toch met die Nederlandse identiteit? Meestal ligt een nationale identiteit sterk verankerd in het verleden. Maar onze historie is bepaald niet te vangen onder een Nederlandse kaasstolp ondanks de veel besproken canon van de vaderlandse geschiedenis. Willem van Oranje zelf was Duitser en Fransman tegelijk Later stroomde er Engels, Russisch, veel Duits en nu dus ook Argentijns bloed door de koninklijke aderen. ‘Onze’ Erasmus was vooral een internationale geleerde, Spinoza was een Portugese jood, Huygens woonde en werkte vooral in Frankrijk en ga zo maar door. En de Nederlandse bevolking is ontstaan vanuit een mix van allerlei groepen: Vlamingen, Hugenoten, joden, Duitse havenarbeiders , Indiërs, en nog veel meer groepen. In de Gouden eeuw was meer dan 10 % buitenlander en in Amsterdam zelfs bijna 40 %. Kijk ook eens in uw eigen stamboom en de kans op een niet ‘zuivere’  Nederlander is zeer groot. In feite zijn we– in historische zin – allemaal een beetje allochtoon.

Nationale identiteit is verder ook een onmogelijk en soms zelfs gevaarlijk begrip. Het is er een in de orde van ‘het volk’, ‘de Duitsers’, ‘de moslims’, ‘de Amerikanen’. Allemaal absolute begrippen die vooral weer opkomen als angst gaat meespelen ( verlies van identiteit) of men iemand iets wil opdringen ( meer Nederlanderschap?). Het is ook absoluut in de zin van: je hebt het of je hebt het niet.  Praten over ‘de Nederlander’ is meestal ook een generalisatie, bedoeld om uit te sluiten: twee vlaggen aan een mast ( voorbeeld van Maxima) kan niet. En grapjes maken over de nationale identiteit kan  al helemaal niet. Het gaat om een bloedserieuze zaak.  Je hebt echte Nederlanders en mensen die dat niet zijn

Al brainstormend met vrienden hierover kwamen we tot de conclusie dat ‘identiteit’ en zeker ‘nationale identiteit’ een ingewikkelde kwestie is. Je ontleent je identiteit aan van alles en nog wat.  Aan je milieu-achtergrond , aan je geloof, aan je beroep, aan je gezin, vaak ook aan stad of regio….misschien zelfs aan je voetbalclub of muziekgroep. Identiteit moet zich ook ontwikkelen en kun je niet opleggen of aanpraten. Na meer dan 25 jaar voel ik me echt Nijmegenaar. Maar als iemand mij dat 25 jaar geleden had aangepraat, dan was ik waarschijnlijk lachend weggelopen

Identiteit wil ook zeggen ‘loyaal zijn aan…’. Door je emotionele binding met iets of iemand, ben je bereid  je daar voor in te zetten.  Dat kan van alles zijn; je familie, het bedrijf waar je werkt, de voetbalclub en misschien ook je land. Maar identiteit is – als het goed is – altijd veelvormig en veelkleurig , nooit eendimensionaal en absoluut. Prins Claus ( ‘de enige echte koning van Nederland’) benadrukte altijd dat zijn identiteit stoelde op veel verschillende loyaliteiten. En zo is dat ! Niet verassend dat Maxima hem ook prominent citeerde in haar toespraak.

‘Eenheid in verscheidenheid’ was altijd al een rake typering voor ons verzuilde land. Dat ging echt niet altijd goed, maar vaak ook wel …vanuit een diep menselijk besef dat er geen absolute waarheid bestaat en dus ook geen absolute Nederlander

Laten we daar nu eens trots op zijn i. p. v het geforceerde zoeken naar ‘de Nederlander’ en zijn nationale identiteit. Iedereen voelt op zijn oer-Hollandse boerenklompen aan dat die niet bestaat. Gelukkig maar. Een beetje Nederlander zijn naast wereldburger, Achterhoeker, historicus of  Nijmegenaar is toch ook al mooi? En misschien ook gezonder. Dan kun je best nog  fanatiek juichen of balen als het Nederlandse elftal speelt. En een koekje bij de thee is dan ook niet zo’n  probleem.

 

 

 

 

Waarom wel/niet een dubbele identiteit? (Theo)

Waarom wel/niet een dubbele identiteit? (Theo)

Waarom wel/niet een dubbele identiteit?

Over Nederlanders die ook Turks, Marokkaans, joods of Surinaams zijn.

Theo Salemink

Ook weldenkende burgers fronsen hun wenkbrauwen als Turkse Nederlanders solidair zijn met Erdogan, zich in Nederland keren tegen Gülen en zich het politieke lot van Turkije aantrekken. Brengen ze dan niet het politieke conflict van een vreemde staat binnen in de Nederlandse samenleving en staat? Zijn ze nog wel solidair met Nederland? Zijn het wel echte Nederlanders? Diezelfde frons kan men waarnemen als het gaat over Marokkanen: dubbel paspoort; of Surinamers: Bouterse als president en crimineel. Dezelfde frons kan men waarnemen als joodse Nederlanders zich vereenzelvigen met de staat Israël. De frons zou minder zijn als er in Turkije een progressieve president was en geen autoritaire. Als Marokko een ‘lente’ kende, Suriname geen Bouterse en Israël geen Netanyahu.

Dubbele identiteit?

Maar onder dit spontane gevoel van veel Nederlanders schuilt een veel fundamentelere kwestie. Kan iemand tot twee volkeren behoren? Kan iemand tot twee staten behoren? Is een dubbele nationaliteit en dubbel paspoort eigenlijk wel acceptabel? Hoe staat het met hun loyaliteit? Deze vragen voeren terug naar het hart van de negentiende eeuw. Toen ontstonden in Europa de moderne natiestaten met het daarbij horende nationalisme. Duitsers, Fransen, Engelsen, Nederlanders. De eenheid van een land was niet enkel een juridische zaak, een kwestie van een ambtelijke tekst, noch enkel een culturele zaak of een kwestie van taal, maar ook een zaak van politieke, etnische en zelfs raciale eenheid. Mensen werden Duitser, Nederlander, Fransman. Zo’n nieuw, totaal concept van nationalisme vrat zich als een gif diep in het leven van mensen en in de politieke geschiedenis. Het betekende ook dat sommige mensen, die in de nieuwe staten woonden, er eigenlijk niet bij hoorden, geen echte Nederlanders of Duitsers waren: joden of Sinti bijvoorbeeld. Het betekende ook dat etnische minderheden een bijzondere positie kregen, tweederangsburgers werden. Dat er bovendien een rangorde tussen de nieuwe natiestaten ontstond, dat oorlogen gekoppeld werden aan nationale trots en belang, zelfs aan ras, dat nationalisme als een nieuwe religie in de harten van mensen in gedreven werd, dat martelaarschap en offer gekoppeld werden aan de natiestaat, dat zelfs oude religies opgenomen werden in de nieuwe nationalistische rangorde: christelijk Europa. Maar ook dat de Europese natiestaten, in onderling conflict, wereldwijd een westerse heerschappij over de Derde Wereld ontwikkelden, waarbij van de weeromstuit de verzetsbewegingen in die Derde Wereld-landen een modern ‘nationalistisch’ karakter kregen, met alle gif van dien.

Diep in deze moderne geschiedenis leeft de overtuiging dat burgers geen dubbele nationale identiteit kunnen of mogen hebben. Dat dit een gebrek aan loyaliteit en nationale solidariteit betekent. Dat er sprake is van een vijfde colonne , die de democratische dan wel autoritaire natiestaten van binnenuit bedreigden.

In onze nieuwe fase van een pluriforme Nederlandse samenleving na 9/11, die ‘allochtonen’ insluit of uitsluit, speelt het debat over een nationale identiteit opnieuw een belangrijke rol. Wat maakt ‘ons’ tot Nederlanders? En hoe zit het met een dubbele loyaliteit, dubbele nationaliteit? Aan de ene kant mensen, die een essentialistische en uniforme opvatting huldigen over het ‘wezen’ van de Nederlandse, Europese of Westerse identiteit. Dat er, anderzijds, meer dan een miljoen Nederlanders zijn met een meervoudige identiteit wordt of niet waargenomen of verontwaardigd afgewezen. En toch ligt hier een cruciale kwestie voor de toekomst van de Nederlandse samenleving.

Sam de Wolff

Om dit fenomeen van een meervoudige identiteit te begrijpen en op kritische wijze te verbeelden kan het geen kwaad terug te keren naar een vorige fase, waarin een analoge discussie gevoerd werd. Nu niet over islamitische Nederlanders, maar over joodse Nederlanders. Het gaat mij hier om de toenmalige discussie waarom joden wel of niet ‘deel van ons volk’ waren. Op dit punt is een klein boekje van de marxistische sociaaldemocraat Sam de Wolff uit 1946, maar geschreven begin 1945 in Jeruzalem, een hulp om de gedachten te ordenen en in een juist perspectief te plaatsen. Sam de Wolff hoorde voor de oorlog tot de marxistische vleugel van de sociaaldemocratie, overleefde de oorlog door ‘uitwisseling’ naar Palestina, en was een steunpilaar van het socialistisch zionisme van Poale Zion.  In zijn boekje Geschiedenis der joden in Nederland (1946) begint hij met een fundamentele discussie over ‘Wat is jodendom?’. Hij laveert tussen de scylla van een raciaal begrip en de charybdis van een enkel religieus begrip. Joden zijn geen ras noch enkel een religie. Joden zijn een volk, maar behoren tot twee volkeren. Nederlandse joden behoren tot twee volkeren, omdat zij ook met Nederland een ‘lotsgemeenschap’ delen. Het wel en wee van zowel het joodse volk als het Nederlandse volk vormt hun identiteit. Hij baseert zich voor deze visie op de austromarxist Otto Bauer en diens boek Nationalitätenfrage (1907). In het kader van de veelvolkerenstaat van de Donaumonarchie en in verzet tegen het groeiende nationalisme in het Duitse Keizerrijk en de Habsburgse monarchie omschrijft hij een volk als een Schiksalsgemeinschaft, niet als een raciale gemeenschap. Wat mensen aan ellende en aan positieve dingen meemaken schept een nationale identiteit en die kan meervoudig zijn. In zijn memoires Voor het land van belofte (1954) herinnert Sam de Wolff zich een treffende uitspraak van de Nederlandse socialist Henri Polak. In de tijd vlak voor de oorlog werd door bepaalde kringen de Nederlandse joden hun Nederlanderschap ontzegd. Aangevallen door de toen bekende ds. Kersten reageert hij in 1938 in Het Volk: “Ik ben Nederlander al hebben mijn voorouders twintig eeuwen geleden in Palestina gewoond. Ik ben even goed Nederlander als ds. Kersten, die niet eens weet wie zijn voorouders zijn geweest, noch waar en hoe zij hebben geleefd.” Hieraan verbindt Sam de Wolff de stelling dat joden tot twee volkeren kunnen behoren en dat zij een dubbele loyaliteit hebben, zonder dat daardoor de eenheid en harmonie van Nederland beschadigd wordt.  Dat is een gedachte die ook voor de huidige discussie cruciaal is. Immers, immigranten uit het Midden-Oosten hebben meestal ook een dubbele lotsverbondenheid. Hun lot is verbonden met de gang van Nederland, het wel en wee van hier, vaak het ‘thuis’ van hun kinderen vanaf de geboorte. Maar zij delen ook het lot van de zogenaamde ‘Arabische wereld’, of het Midden-Oosten. En westerse joden hebben ook een lotsverbondenheid met  de staat Israël sinds 1948, ook als zij de reactionaire koers van die staat niet onderschrijven. De tragische, soms gewelddadige en complexe geschiedenis van dat gebied, in de confrontatie met het Westen na 9/11, en de ‘Arabische revolutie’ in 2011, en de heftig Palestijns-Israëlische confrontatie maakt deel uit van hun leefwereld, niet enkel via media, maar door familiebanden, door een gedeelde taal en cultuur, door verbondenheid met de religieuze gemeenschap (umma) van de islam. Ellende en hoop van die regio en de mensen aldaar, met in het hart ook het conflict tussen Israël en de Palestijnse volk, vormen de lotsgemeenschap, naast die andere lotsgemeenschap, die van de Nederlandse samenleving en haar ellende en hoop. Deze dubbelheid is geen gevaar, maar eerder een nieuwe realiteit van de toekomstige Nederlandse identiteit. En in deze visie wordt een dubbele nationale identiteit niet verbonden met ras en etnische identiteit, niet met huidskleur of anderszins ‘essentiële’ kenmerken, maar met lotsgemeenschap.

Slot

Een dubbele politieke identiteit heeft niet in eerste instantie te maken met moraal en politieke correctheid. Maar met een sociologische gegevenheid. Solidariteit met Turkije, kan ook solidariteit met een bad guy als Erdogan betekenen. Pas daarna komt de politieke discussie wat binnen een nationale identiteit goed/slecht of wenselijk/onwenselijk is, zoals ook bij andere Nederlanders. Zijn wij nog Nederlanders als Wilders premier is? Dat is geen vraag. Nationale identiteit gaat vooraf aan politieke verdeeldheid en zelfs klassentegenstellingen. Een dubbele nationaliteit ook.

Geschiedenis voorbij de Randstad (Leo)

Geschiedenis voorbij de Randstad (Leo)

[ Gepubliceerd in Kleio, vakblad VGN. mei 2015]

GESCHIEDENIS VOORBIJ DE RANDSTAD

 

Leo Salemink

 

De Randstad en de rest van Nederland is altijd een wat moeizame verhouding geweest. Vanuit de Randstad wordt nogal eens neergekeken op ‘die provincialen’ en omgekeerd lijken nogal wat regionalen met enige afgunst of afkeer ‘die stadsen’ te benaderen. Regelmatig laait deze tegenstelling ook politiek op bijvoorbeeld naar aanleiding van de aardbevingen in Groningen of de discussies over krimpregio’s en natuur versus landbouw. In het parlement zijn het voornamelijk CDA en SP die regelmatig deze tegenstelling aan de orde stellen, waarschijnlijk omdat zij – vanuit nogal verschillende belangen- stevig regionaal geworteld zijn. Meer althans dan de toch wat Randstedelijke VVD, PvdA en D’66, zo lijkt het althans.

 

De basis van deze tegenstelling begint al op school, vooral in de geschiedenisboekjes die gebruikt worden: de geschiedenis zoals we die op school maar ook daarna voorgeschoteld krijgen is vaak nogal Randstedelijk van aard. Met Randstedelijk bedoel ik dan: Zuid en Noord-Holland, maar – vanuit historisch oogpunt – reken ik daar ook bij de handelssteden in Zeeland en de kuststreek van Noord-Nederland, zeg maar het kerngebied van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 17e  en 18e eeuw. Over Zuid – en Oost- Nederland lees je bar weinig, hoogstens in de marge van deze Randstedelijke ontwikkeling. Als gebied waar vijandelijke legers slag leverden of als verlengstuk van de ontwikkelingen in het gewest Holland, zoals in het standaardwerk van Maarten Prak over de Gouden Eeuw ( 2012).

Neem bijvoorbeeld de veel op basisscholen gebruikte schoolboekjes van de methode Wijzer door de Tijd. Mooie boekjes, maar van de 48 kleine hoofdstukjes die gaan over Nederland vanaf 1600 gaat er nog niet een over Zuid- of Oost-Nederland of het leven op het platteland; het blijft bij een half hoofdstukje over arme turfstekers in Drenthe. Dit is des te opmerkelijker omdat toen ongeveer 50% van de bevolking op het platteland woonde en daar veelal als boer of boerenknecht werkte. Rond 1850 was dat nog rond de 40%. Veel moderne Nederlanders hebben hun ‘roots’ in een eeuwenoude boerencultuur! Ook dat wordt nogal eens vergeten.

Bij de boeken in het voortgezet onderwijs – bijvoorbeeld Feniks en Geschiedeniswerkplaats – is het niet anders, maar daar is het wellicht meer begrijpelijk omdat in die fase van het onderwijs de wereldgeschiedenis sterk de opzet van een boek bepaalt. Maar als Nederland ter sprake komt is het bijna altijd Holland (de Randstad) of spreekt men in meer algemene termen over de Nederlandse geschiedenis en dan worden veel voorbeelden juist aan het stedelijke ‘Holland’ ontleend. Maar er valt nog iets op: uitvoerig staat men in deze boeken stil bij de boeren op het Franse platteland, de feodale verhoudingen daar …dat alles als aanloop naar het behandelen van de grote Franse revolutie. En in een volgend deel krijgen de leerlingen uitvoerige informatie over het Chinese platteland in de keizertijd, als voedingsbodem voor de revolutie van Mao.
Om het kort door de bocht te stellen: de Nederlandse middelbare scholier leert meer over het leven van de arme Franse en Chinese boer in de 19e eeuw dan over de arme boer op de schrale zandgronden in Brabant en Oost-Nederland in dezelfde tijd.

Natuurlijk, de grote historische gebeurtenissen ( wat dat ook moge zijn) speelden zich vooral af in het gebied van de huidige Randstad en ook de politiek werd natuurlijk sterk bepaald vanuit den Haag Maar is het ook niet de taak van historici en anderen het leven van de gewone man en vrouw in beeld te brengen? Bijvoorbeeld het leven van de arme boer op de zandgronden van Brabant of de Achterhoek. Geschiedenis is meer dan het verhaal van beroemde personen of oorlogen en revoluties. Dat besef is bij historici vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw wel steeds meer doorgedrongen, maar opvallend genoeg gaat het dan weer vaak over de gewone man of vrouw in de Randstad bijvoorbeeld het leven van de arme fabrieksarbeiders in de 19e – eeuwse fabriekssteden of het leven van matrozen op de schepen van de VOC. Het leven van de gewone boer of boerenknecht in Brabant, Limburg, Gelderland, Twente of Drenthe komt er bekaaid vanaf en als er dan al boeken over verschijnen ( bijvoorbeeld van een Wageningse professor) zijn die nogal eens zwaar wetenschappelijk met veel tabellen en grafieken…niet bepaald voor een groot publiek.

Juist een minder Randstedelijke nadruk op de het verleden levert ook een andere kijk op de geschiedenis van ons land op. Soms zelfs een ronduit verrassend ander beeld, waarbij dan ook het leven van ‘de gewone man en vrouw’ van buiten de Randstad scherp in beeld komt. Ook zij vormen een onderdeel van onze geschiedenis! Al is het alleen maar omdat al die mensen in de steden grotendeels door hen gevoed moesten worden. Zonder aardappels was het niet gegaan in de fabriekssteden van de 19e eeuw.

 

Enkele concrete voorbeelden om dit te verduidelijken wil ik hier naar voren brengen. Ze zijn ontleend aan het zojuist verschenen boek Ondankbare Grond van ondergetekende en zijn broer, beiden zelf boerenzonen uit het oosten van het land. In dit boek proberen wij het leven van kleine (pacht)boeren vanaf 1600 in beeld te brengen aan de hand van onze eigen familiegeschiedenis in de Achterhoek en Liemers. Maar het had ook Brabant of Twente kunnen zijn. Het gaat om het leven op arme zandgronden van Oost en Zuid-Nederland waar eeuwenlang half-feodale verhoudingen de economische basis van het bestaan vormden.

Een eerste voorbeeld: Zo rond 1600 begint langzamerhand de Gouden Eeuw met de VOC en later wereldberoemde schilders en wetenschappers. De schoolboekjes staan er vol mee. In de Achterhoek – waar onze ‘voormoeder’ Hille op een boerderij bij Sinderen woont – maar ook in veel andere plaatsen in Zuid- en Oost-Nederland was het toen chaos: een jarenlang durende oorlog tussen de Spaanse troepen en legers van Oranje met een ongekende verwoesting van het platteland. Ongeveer zoals de situatie nu in Syrië of Irak. Bepaald geen ‘gouden eeuw’, zeker niet voor de eenvoudige boeren op arme gronden. Massaal op de vlucht, ontvolkte dorpen, verkrachtingen…Jarenlang was het leven tot op het bot verstoord en dat herhaalde zich daarna nog een paar keer. Toen het rustiger leek te worden was er het rampjaar 1672 met strijd en ellende in juist de buiten-randstedelijke gebieden.

Vervolgens een voorbeeld uit de tijd rond 1800 ( de Bataafs-Franse tijd), toen hier de Fransen een enorme invloed hadden. In de Randstedelijke geschiedschrijving lees je veel over de mooie idealen van de Fransen en hun Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Voor de burgerij in de steden veranderde er veel ten goede. Meestal laat men bij deze periode ook het moderne Nederland beginnen.

Een van die mooie Franse idealen was: afschaffing van grootgrondbezit. Zo zou er grond komen voor de mensen die de grond ook zelf bewerkten…de boeren. Klinkt mooi! In Frankrijk werden heel wat adellijke heren in het kader hiervan aan een hoge boom opgehangen en hun kastelen in brand gestoken…in de Achterhoek ging het anders. Ook hier werd afschaffing van het grootgrondbezit een politiek item, maar wel op beperkte en minder bloedige wijze. Maar wat betekende dit ideaal voor onze voorvader Willem Salemink? Het toch mooie ideaal van ‘grond aan de boeren’ blijkt toch wat anders uit te pakken.

Willem woont met zijn vrouw Henrica op boerderij Kempen in Silvolde. De grond is in het bezit van de Gelderse rekenkamer, die heel wat grond bezat…een echte grootgrondbezitter dus. Ook hier gaat men rond 1805 over tot verkoop van de grond aan de boeren, MAAR……dan moet je wel geld hebben om de grond te kunnen kopen….en dat hadden onze Willem en Henrica niet. Een wat rijkere boer uit de omgeving koopt in 1807 de boerderij. Willem en zijn gezin moeten vertrekken! Ze verkopen de twee paarden, de paar koeien en varkens en trekken met kleine kinderen en al naar Isselburg, net over de grens in Duitsland. Daar werkt Willem – volgens de zeer beperkte bronnen over die periode– als boerenknecht of misschien ook als fabrieksarbeider. Het moet allemaal behoorlijk armoedig geweest zijn voor het gezin. Het prachtige ideaal van de Franse Revolutie blijkt voor hem en zijn gezin toch heel anders uit te pakken.

En dan vervolgens de tijd rond 1880. In het westen van ons land begint de industrialisatie nu goed op de gang te komen. Er heerst een optimisme dat industrialisatie en mechanisatie nu eindelijk die sombere 19e eeuw achter zich zal laten. De wereldtentoonstelling in Parijs van 1889 ( met de Eiffeltoren!) is daar een opvallende uiting van. Zelfs de arbeiders in de steden begonnen het een klein beetje beter te krijgen. Maar op het platteland verliep de geschiedenis anders onder invloed van een steeds verder doorgevoerde liberale handelspolitiek. De Nederlandse markt raakte in korte tijd overstroomd met goedkoop graan en vlees uit Amerika dat via grote oceaanstomers in overvloed werd aangevoerd. Daar konden vooral de kleine boeren in Oost- en Zuid-Nederland niet tegenop. Velen gingen failliet zoals onze overgrootvader Gradus Salemink. Velen trokken naar de steden of emigreerden. Geen optimisme en vooruitgang, maar persoonlijke drama’s die tot ver in de 20e eeuw in de boerenfamilies als familiedrama’s doorverteld werden.

Maar soms was het buiten de Randstad juist beter of zeker niet slechter vertoeven. Een paar laatste voorbeelden: In de WO2 viel het op het platteland vaak wel mee, althans in vergelijking tot de grote steden in het Westen. Je moest wel oppassen met wat je zei, maar er was een groot voordeel: eten was er altijd wel op een boerderij! De omgang met de gewone Duitse soldaten was – zo horen we van onze eigen vader en moeder – vaak ook gemoedelijker, vooral als het soldaten waren met een boeren-achtergrond en de SS ver weg was.

Zelfs de ‘culturele revolutie’ van de jaren zestig en zeventig, verloopt in bijvoorbeeld de Achterhoek anders dan in Amsterdam. Ook met anarchistische trekjes, maar ruiger en soms ook antistedelijk en anti-intellectueel. De popgroep Normaal en later de Zwarte Cross in de Achterhoek zijn daar sprekende voorbeelden van.

Kortom, met een niet-Randstedelijke bril naar het verleden kijken levert vaak een ‘andere’ geschiedenis op. Niet een meer dramatische of juist een mooiere, maar vooral een andere geschiedenis dan hoe we het in de schoolboekjes vaak voorgeschoteld krijgen. In veel gevallen ook een geschiedenis van hardwerkende en eenvoudige mensen, de voorouders van miljoenen moderne Nederlanders.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een Verenigde Staten van Europa als utopie (Leo)

Een Verenigde Staten van Europa als utopie (Leo)

[ Gepubliceerd in de Gelderlander, de Twentse Courant en het Eindhovens Dagblad van  van  16 juni 2012 )

Een Verenigde Staten van Europa als utopie

Stel je voor : je woont in een straat met nogal verschillende huishoudens. Verschillend in welvaart en in leefstijl. Een buurman heeft het financieel bijzonder moeilijk en jullie besluiten hem een lening te verstrekken. Maar geen gewone lening. Jullie schrijven de beste man – een echte levensgenieter – ook voor hoe hij zijn huishouden moet hervormen, hoe hij moet gaan leven en hoe hij binnenshuis de zaakjes moet organiseren met zijn vrouw en kinderen.

Zo ongeveer heeft mevr. Merkel het voor met Europa. De zwakke lidstaten krijgen alleen een lening als daarvoor ook een flink deel van de politieke soevereiniteit wordt opgegeven. Maar haar achterliggende gedachte gaat nog veel verder:  de EU moet uitgroeien tot een  politieke unie , tot een soort Verenigde Staten van Europa met sterk gecentraliseerde macht in Brussel. Uiteraard zal deze politieke unie gedomineerd worden door de as Frankrijk- Duitsland. Dat is de afgelopen jaren wel gebleken bij de aanpak van de huidige economische crisis. Zoals nu de politieke verhoudingen zijn, zal dat een tamelijk neoliberale politieke koers zijn, aangestuurd en deels ook ontworpen door EU–bureaucraten in Brussel.

Tegen deze ontwikkeling komen verschillende landen en politici in verzet. Het is ook volgens mij een heilloze weg om meerdere uiteenlopende redenen waarvan ik er drie wil noemen :

– Het idee van een vergaande  politieke unie zoals de VS van Amerika, getuigt van weinig historisch besef. De ontwikkeling van het continent Europa is zo verschillend aan dat van de VS dat het wel op een mislukking moet uitlopen. De cultuurverschillen ( ook op politiek terrein) zijn zo groot dat alleen een erg straffe hand dit zou kunnen overwinnen. Karel de Grote en Napoleon probeerden het tevergeefs. In extreme vorm is het streven naar zo’n Verenigde Staten van Europa zelfs een gevaarlijke utopie en een bron van nieuwe conflicten.

– Zal aan het hoofd van de  Verenigde Staten van Europa ook een machtige president komen te staan met een leger dat – zoals Amerika – militaire avonturen aangaat in de rest van de wereld ?  Het NAVO-ingrijpen in Libië wijst wel in die richting. En welke belangen spelen dan een rol ? En is tegen die tijd het Europese Parlement wel in staat effectieve democratische controle uit te oefenen ?  Tot nu toe is het intern democratische gehalte van de EU zwak ontwikkeld en zeker ook ondoorzichtig ( het zogenaamde ‘democratische tekort’).

– De centrale Europese regering zal zich nog meer gaan bemoeien met zaken als onderwijs en zorg. De Europese aanbestedingen van bijvoorbeeld zorg – zoals nu al aan de orde is – zal verder uitgebreid worden op waarschijnlijk neoliberale voet. Dat dit gepaard gaat met bureaucratisering en schaalvergroting is een logisch gevolg ( als kleine en betrokken zorginstelling heb je geen kans tegen de grote internationale instellingen). Het is zoals bij een schoolklas: hoe groter je die maakt, des te meer regels je nodig hebt en des te onpersoonlijker het allemaal wordt. Of wat anders en actueler gesteld: zou een Europees voetbalelftal echt zoveel beter zijn dan een nationaal elftal ?

 

Moeten we de EU en de euro dan opheffen, zoals de PVV wil ?  Dat lijkt me een weg terug naar de negentiende eeuw van nationale staten en nationale spanningen met fatale gevolgen.  Het is in dit verband opvallend om te zien hoezeer veel politici bijna digitaal reageren op deze kwestie: voor of tegen Europa. Wijze mannen als Aristoteles en Boeddha hebben ons al zo vaak gewezen op de middenweg, op een gulden middenweg die het resultaat is van overleg, wijsheid en realisme.

Toegepast op Europa zou deze middenweg moeten inhouden: een sterke economische samenwerking ( met sancties en al), eventueel aangevuld met vergaande bevoegdheden op het gebied van milieu en veiligheid. En in onderling democratisch overleg wellicht ook op andere terreinen. Maar laten we – opgejaagd door een economische crisis – de politieke zelfstandigheid van de afzonderlijke landen niet al te snel opofferen aan een

zwak-democratisch, bureaucratisch en weinig transparant ‘Brussel’ , onder leiding van Frankrijk en Duitsland. Veel mensen werpen tegen dat een economische unie alleen goed kan functioneren als er een ook een politiek unie is omdat alle economische besluiten een politieke dimensie hebben. Daar zit iets in, maar het succes van de EEG in de jaren zestig en zeventig maakt duidelijk dat er geen noodzakelijke symbiose hoeft te zijn. Natuurlijk is een weg terug naar de EEG niet de bedoeling, maar het zou een uitdaging voor politici moeten zijn om een moderne goed werkende economisch unie te vormen zonder al te veel politieke bevoegdheden over te hevelen naar Brussel.

En laten we ‘de menselijke maat der dingen’ bij dit alles niet uit het oog verliezen. Dit laatste moge soft klinken maar hoezeer hebben we de laatste jaren op nationaal gezien waar grootschaligheid en bureaucratisering  toe kan leiden ( de onderwijsfabrieken, de steeds maar fuserende zorginstellingen, de eindeloze reeks Europese regelgeving…). Een politiek machtige EU zal deze ontwikkeling ongetwijfeld verder versterken.
Bij dit alles moeten we ons vooral niet laten misleiden door EU-fans die doen alsof onze toekomst alleen bij ‘meer Europa’ in goede handen is of door mensen die fatalistisch roepen ‘dat het allemaal toch niet tegen te houden is’. En laten we ons niet verliezen in die akelige grachtengordel-redenering waarin een kritische houding ten opzichte van Europa als ‘ouderwets’  wordt neergesabeld . Het tamelijk kritiekloos achter een zwak-democratische en bureaucratische EU aanlopen, lijkt me zeker geen voorbeeld van modern politiek denken.

 

Leo Salemink

Historicus