Archief van
Auteur: Leo Salemink

Herijken van de canon. Een kans op een meer niet-Randstedelijke invulling

Herijken van de canon. Een kans op een meer niet-Randstedelijke invulling

[ Gepubliceerd in KLEIO , vakblad docenten geschiedenis. December 2019]

Jarengeleden ( 2006) kwam er de canon van de Nederlandse geschiedenis. De discussies uit die tijd waren heftig en soms ook diepgravend ( zie de bundel Controverses rond de Canon uit 2006) Maar de canon kwam er en er kwam zelfs een fraai canonhuis in het Openluchtmuseum Arnhem.  Heel wat scholieren maar zeker ook volwassenen gingen en gaan er op bezoek. Zeker een geslaagd project, lijkt me.

En nu is er dan de herijking van de canon onder leiding van hoogleraar James Kennedy. Het heeft weinig zin oude discussies weer op te rakelen, maar opnieuw eens kritisch naar de canon kijken kan geen kwaad. In dit verband is het bijvoorbeeld opvallend hoezeer onze Vlaamse vakbroeders de canon principieel en beargumenteerd afwijzen ( zie  website van VVLG). Hun argumenten kunnen ook bij de herijking wellicht zinvolle stof tot nadenken geven. Verder zijn er al de nodige uitingen over herijking in de pers verschenen: de ‘zwarte bladzijdes’  uit onze geschiedenis moeten sterker naar voren komen en dan met name het slavernijverhaal, de ‘de gouden eeuw’ zou ook wel eens op meer neutrale wijze gepresenteerd mogen worden, er moeten meer lijntjes komen met de wereldgeschiedenis en zo zijn er nog wat meer voorstellen.

Mijn bijdrage in deze herijkings-discussie gaat een andere richting uit. Ik heb er ook al eens eerder in Kleio over geschreven en ook elders naar voren gebracht maar het kan geen kwaad juist nu dit nog eens aan te scherpen.

De kern van mijn betoog: Natuurlijk is het logisch dat veel vensters een Randstedelijke link hebben. Daar gebeurde heel veel op allerlei gebieden… heel veel moois of zeker ook bijzondere zaken. Maar  deze begrijpelijke nadruk is onevenwichtig en soms zelfs stuitend. De canon heeft een zwaar Randstedelijk karakter, zowel in keuzes van vensters maar ook in de uitwerking van die 50 vensters. Juist een herijking van de canon biedt mogelijkheden hier iets aan te veranderen. Jarengeleden is dit al eens naar voren gebracht door de hoogleraren Maria Grever en Dolly Verhoeven ( en door ook nogal wat regionale historici en journalisten ). Sommigen  spraken over het ‘Hollandocentrisme’ van de canon. Misschien is dat nu anno 2019 wel enigszins verklaarbaar vanuit de politieke sfeer in de jaren voor 2006: opiniemakers en politici hadden het in een steeds hoger oplopende discussie over onze ‘nationale identiteit’ die onder druk zou staan en dus verdedigd moest worden. En als je dan gaat zoeken kom je snel bij ‘Holland’ en haar bijzondere geschiedenis. Natuurlijk wel breder en kritischer dan ‘onze VOC-mentaliteit’ ( Rutte) maar toch…de hoofdlijnen leken duidelijk.

De basisschoolboekjes, die daarna tamelijk canon-dekkend werden, weerspiegelen deze ontwikkeling. Neem bijvoorbeeld de veel op basisscholen gebruikte methode Wijzer door de Tijd.  Mooie boekjes, maar van de 48 kleine hoofdstukjes die gaan over Nederland vanaf 1600 gaat er nog niet een over Zuid- of Oost-Nederland of het leven op het platteland; het blijft bij een half hoofdstukje over arme turfstekers in Drenthe. Dit is des te opmerkelijker omdat toen ongeveer 50% van de bevolking op het platteland woonde en daar veelal als boer, dagloner of boerenknecht werkte. Veel moderne Nederlanders hebben hun ‘roots’ in deze eeuwenoude boerencultuur! Ook dat wordt nogal eens vergeten.

Opvallend is wel dat na het verschijnen van de nationale canon een ware stortvloed van regionale canons is ontstaan. Niet alleen een Friese en Limburgse canon maar ook allerlei lokale varianten. Ik kan het niet anders zien dan als een ( gezonde) reactie op het Randstedelijke karakter van de nationale canon. ‘Elk nadeel heb zijn voordeel’ zou Cruyff zeggen.

 

Laten we proberen de zaakjes wat meer inhoud te geven: hoe zit dat met die in mijn visie nogal Randstedelijke canon? Laat ik puntsgewijs en wat ‘kort door de bocht’ enkele argumenten op een rijtje zetten, van meer algemeen naar concreet. Ook zal ik impliciet proberen wat voorstellen te doen voor nieuwe vensters of aanpassing van een bestaand venster.

 

  • De canon wilde in 2006 uitdrukkelijk ‘een canon voor alle Nederlanders zijn’. Maar in de canon lijken boeren en boerinnen – sterk vertegenwoordigd in Oost en Zuid-Nederland – bijna niet voor te komen. Ook al is in 1800 nog 45 % van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en in 1900 nog 35 % , in de vensters komen ze niet of nauwelijks aan bod. Het lijkt erop alsof er een soort anachronistisch frame over het verleden wordt gelegd in de trant van : nu is minder dan 5% boer ( met trouwens wel een gigantische productiecapaciteit) ….dus we leggen daar in een terugblik op ons nationaal verleden maar niet te veel nadruk op. De kleine boer uit Oost en Zuid Nederland lijkt niet te bestaan. Een typering van de half-feodale verhoudingen in bijvoorbeeld Gelderland en Overijsel – zo belangrijk voor al die kleine boeren – ontbreekt.
  • De ingrijpende mechanisatie en industrialisering van delandbouw na de WO2 onder leiding van Mansholt komt niet te sprake. Deze ontwikkeling heeft niet alleen de  landbouwsector totaal veranderd, maar heeft ook enorme gevolgen gehad voor inrichting van het platteland, omgaan metde schaarse natuur, dierenwelzijn etc. Een venster Mansholt lijkt me in dit verband niet overbodig. Aan deze kleurrijke figuur valt heel wat aan op te hangen, zelfs een groeiend ecologisch bewustzijn, klimaatdiscussie e.d.
  • De zogenaamde ‘Gouden eeuw’. In de media is er al veel over gesproken in verband met de slavernijdiscussie. Maar ook vanuit een niet-Randstedelijke blik is de beschrijving van deze eeuw in de huidige canon – verspreid over meerdere vensters – bijna stuitend. Terwijl Holland floreerde in zijn gouden eeuw (waarvoor terecht veel aandacht !), is het in Zuid en Oost Nederland wel anders. Daar heerst lange tijd een constante burgeroorlog tussen Staatse en Spaanse troepen die nog het best te vergelijken is met de huidige situatie in Syrië en Irak. Terreur, vluchtelingen,  platbranden boerderijen, opgelegde oorlogsbelastingen, verkrachtingen, moordpartijen …het was jarenlang schering en inslag. Volgens bronnen uit die tijd was het platteland regelmatig onleefbaar. Bepaald geen gouden eeuw. Rond het rampjaar 1672 is het beeld niet veel anders: Holland weet met moeite een bezetting te voorkomen, maar met name Gelderland en Overijssel krijgen de volle laag. Zoals Enny de Bruijn in haar sterk niet-Randstedelijk boek De Hoeve en het Hart (2019) schrijft: “Er is een andere Republiek geweest in de schaduw van die bekende Hollandse republiek uit onze geschiedenisboekjes”.
  • De zuidelijke ‘Generaliteitslanden’ Brabant en Limburg komen niet of nauwelijks aan bod. Hoogleraar Maria Grever e.a. wezen er al eens op. Niet alleen verdwijnt ook hier de kleine boer uit de geschiedenis maar ook niet-agrarische aspecten lijken te verdwijnen vanuit de Randstedelijke focus: de Limburgse mijnen, de opkomst en invloed van Philips …
  • In directe relatie met bovenstaande valt ook op hoezeer de katholieken ( toch bepaald geen kleine bevolkingsgroep) een beetje onder het tapijt van een nationale canon zijn verdwenen. Een protestants- liberale toon overheerst. Een typering van ruim twee eeuwen katholieke achterstelling sinds de opstand tegen Spanje ( met schuurkerken als icoon) en de stormachtige katholieke emancipatie vanaf 1853 ontbreken. De verzuiling – een toch wel zeer kenmerkend aspect van onze moderne geschiedenis – ontbreekt als venster. Opmerkelijk! Alleen in het venster Veelkleurig Nederland komt het halfslachtig om de hoek kijken. Juist in het kader van een venster gebaseerd op de Verzuiling zouden katholieken aan bod kunnen komen, naast protestanten en socialisten. Het lijkt me dat zo’n venster te verkiezen is boven ‘buitenhuizen in 17e en 18e eeuw’. Dat nieuwe venster is zeker ook voor basisschoolleerlingen concreet te maken en op allerlei manieren te actualiseren ( achtergrond school, opa en oma …)

 

Ook bij de uitwerking van de huidige vensters valt op hoe weinig geschiedenis er blijkbaar is buiten de Randstad. Een paar voorbeelden.

 

  • Bij het venster van de crisisjaren lezen we niets over de desastreuze gevolgen van de crisis voor het platteland en ook niets over de werkloosheid in de Twentse textielsteden. De ingrijpende landbouwcrisis van eind 19e eeuw is natuurlijk al helemaal niet de moeite waard terwijl die voor zoveel kleine boeren in Oost en Zuid Nederland nogal ingrijpende gevolgen had, negatief en positief trouwens.
  • Bij de patriotten noemt men wel het beroemde Aan het volk van Nederland maar Joan Derk van der Capellen tot den Pol blijft onbesproken. Deze Oost-Nederlandse edelman begon zijn politieke loopbaan met het zich inzetten voor de boeren in Overijssel tegen de feodale heren. In bijna elk schoolboekje komt hij voor, maar niet in de canon.
  • Aletta Jacobs. Natuurlijk hoort ze in de canon thuis maar waarom in de bijbehorende tekst met geen enkel woord iets over het zware leven van al die dagloonsters en boerinnen op het platteland. Er is echt wel het nodige over geschreven. Ook daar kwam – later dan in de steden – een voorzichtige maar wel breed gedragen emancipatie op gang via de boerinnenbonden.
  • Bij de WO2 zijn het weer voorbeelden uit de Randstad die overheersen terwijl toch ook bijvoorbeeld het drama van Putten, het bombardement van Nijmegen ( met o.a. de totale verwoesting van een kleuterschool waar 24 kinderen verbleven) genoemd zouden kunnen worden Natuurlijk zijn ook andere voorbeelden mogelijk en misschien nog wel ‘betere’.
  • De strijd tegen het water is een terecht een belangrijke lijn in de canon. De ramp van 1953 komt uiteraard aan bod. Maar je leest niets over de desastreuze overstromingen en constante strijd daartegen in de rest van Nederland, in de eeuwen daarvoor. Ik doel hier bijvoorbeeld op de talloze rampen in de Betuwe en Liemers en bijv. de overstroming van de Maas in 1643.  Pas de overstromingen van 1995 lijken de canonmakers de ogen geopend te hebben voor overstromingen en dijken in de rest van Nederland.

Kortom: Als we de bij de canondiscussie veel gebruikte metafoor van ‘Huis van Nederland’ als uitgangspunt nemen dan valt wel op dat de woonkamer groot en riant is uitgevallen, enkele andere kamers wat eenzijdig zijn ingericht en sommige kamers zelfs op slot zijn.  De herijking van de canon biedt mogelijkheden daar verandering in aan te brengen. Een paar nieuwe vensters lijkt me wenselijk en zeker ook aanpassing van de teksten bij sommige  gehandhaafde vensters.

 

_____________________

ALS U VERDER NAAR BENEDEN SCROLT, VINDT U NOG EEN ARTIKEL OVER DEZELFDE KWESTIE: ‘GESCHIEDENIS VOORBIJ DE RANDSTAD’  ( Kleio, mei 2015) 

 

Nieuwe lezing: Dagloonsters, boerenmeiden en boerinnen

Nieuwe lezing: Dagloonsters, boerenmeiden en boerinnen

Achtergrondinformatie bij de nieuwe lezing van Leo en Theo Salemink 2018-2019

Epos van een dagloonster en een boerin : Catharina Ilting en Mina Scholten

Opnieuw een familie-epos, maar nu van vrouwen. Allemaal voorouders in de vrouwelijke lijn van onze familie. We richten ons op een voormoeder uit de negentiende eeuw en op een uit de twintigste eeuw. Dat geeft grote verschillen maar ook heel wat overeenkomsten
Catharina Ilting leefde in het midden van de negentiende eeuw, was dagloonster in Megchelen, tegen de grens met het toenmalige Pruisen. Zij leefde in het daglonershuisje De Timp, trouwde een Duitse man, kreeg vijf kinderen, werkte op het land van een grote boer en hielp met de oogst. Het was de tijd van de landbouw voor de kunstmest en de machines. Dagloonsters hadden het niet breed in die tijd, geen vaste betrekking. Zij bezat met haar man, ook een dagloner, iets meer dan een bunder grond, twee melkkoeien en een vaars, maar ook een varken en een moestuin. Een moestuin was om te overleven, terwijl de heren van Bergh en Landfort grote siertuinen hadden om hun status en allure te tonen. Een grote ongelijkheid was er in die dagen. Van hun huisje De Timp is een inventaris uit 1857 bewaard gebleven, je kunt zien wat deze arme boerenmensen toen bezaten. Dat was niet veel. Ze was bovendien katholiek in een tijd dat de katholieken in Nederland begonnen aan hun emancipatie. Neogotische kerken en Mariadevoties. Bij haar in de buurt leefde een mystica, die de ‘wonden’ van Jezus in haar lichaam had: Dora Visser. Ook een dagloonster van huis uit. Catharina kende haar. Hoe was het leven van een dagloonster in het midden van de negentiende eeuw, dat is de eerste vraag.

    Daglonershuisje De Timp

Bijna een eeuw later is haar achter-kleindochter, Mina Scholten, boerenmeid in Varsselder en ze zal later onze moeder worden! Twintig jaar lang diende ze bij grote boeren in Veldhunten, Varsselder en Doetinchem. Ze begon daarmee op twaalfjarige leeftijd. Hard werken vanaf ’s morgens vijf uur tot ’s avonds 21.00 uur. Ze kwam uit een groot katholiek gezin met een kleine boerderij. Ook Mina Scholten moest in een schamele tijd hard werken als boerenmeid. Het was de crisistijd van de jaren dertig uit de 20e eeuw. Intussen was de landbouw veranderd. Er kwamen kunstmest en de eerste machines, melkfabrieken en kleine gemengde familiebedrijfjes in de Liemers. Mina Scholten was net als haar overgrootmoeder vroom en katholiek, zij werd getroost door de Bedrukte Moeder Gods van Varsseveld en ging op bedevaart naar Silvolde en Kevelaer, later zelfs naar Lourdes. Maar ze was ook lid van de nieuwe boerinnenbond, die de jonge boerinnen leerden om een betere boerin te worden, maar ook om moestuin en kinderopvoeding anders aan te pakken. In de jaren zestig ging het op vergaderingen zelfs over yoga, make-up, homoseksualiteit en boerinnen in de Derde wereld.
De opbrengsten van varken, moestuin en het land werden niet alleen in het zout bewaard of gerookt, maar ook geweckt in glazen potten, een heel nieuwe techniek sinds 1900. Mina Scholten trouwde in de oorlog in Didam op een klein pachtboerderij, werd boerin, kreeg acht kinderen, bracht de schoonouders aan het eind, zoals Catharina een eeuw eerder ook deed. Er was toen nog geen verzorgingsstaat en geen bejaardenhuis. Ze verhuisde naar Gaanderen bij Doetinchem, de landbouw veranderde ook het leven op haar boerderij. De jaren zestig kwamen, de TV kwam, kinderen gingen hogere opleidingen doen, maar Mina treurde over de achteruitgang van het katholieke geloof.
Beide vrouwen – Cataharina Ilting en Mina Scholten – kenden eenzelfde motto: aanpakken en doorgaan. En ook: ‘kan niet’ ligt op het kerkhof, en ‘wil niet er langs’. Mina Scholten met haar gezin

OVERZICHT ONDERDELEN VARIA.

Van boven naar beneden ( scroll naar beneden voor desbetreffende document)     

. Een paar foto’s van onze lezing voor de Liemers-akademie 20-2-2018

. Oudste document uit familiegeschiedenis Salemink (1623)

. Nog een oud document uit familiegeschiedenis-Salemink ( 1660)

. Saleminkpad (Wandeltocht bij boek Ondankbare Grond) samengesteld door Clementine en Alfons  Baak

Scroll-overzicht opinies

Scroll-overzicht opinies

Van boven naar beneden vindt u de volgende opinies:

  • Discriminatie mag niet wennen ( Leo)
  • Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber ( Leo)
  • Dubbele loyaliteit ( Theo)
  • Een beetje Nederlander, kan dat ook ?  (Leo)
  • Waarom wel/niet een dubbele identiteit ( Theo)
  • Geschiedenis voorbij de Randstad ( Leo)
  • Een Verenigde Staten van Europa als utopie ( Leo)
  • Op de rug van de tijger ( Theo)
  • Cultureel racisme ( Theo)
  • Gebruik knop “Ouder bericht” voor de volgende bijdrages >>>
  • Het Romantisch liberalisme van Schengen ( Leo)
  • De verwende burger op oorlogspad ( Leo)
Discriminatie mag niet wennen (Leo/jan. 2018)

Discriminatie mag niet wennen (Leo/jan. 2018)

     [ Op opiniepagina van De Gelderlander van 19-1-2018]

Zaterdag 6 januari presenteerde Coen Verheij zich als lijsttrekker van de PVV in Arnhem. Hij was door Marjolein Faber – PVV-statenlid en vertrouweling van Geert Wilders – geselecteerd en naar voren geschoven. Sprekend over de multifunctionele centra in de stad zegt hij: “En wanneer je 75 bent en van Turkse afkomst? Als je de Nederlandse normen en waarden onderschrijft, ben je van harte welkom. Niet als je aanhanger bent van de islam.”

Toen ik dit las had ik iets van: ach niet weer dat PVV-gedoe. Daar op ingaan is al zo vaak gebeurd en bepaald niet meer ‘sexy’ voor een krant. Ik bespaar me de moeite. Maar het bleef wringen en borrelen in mijn bovenkamer. Gaan we blijkbaar wennen aan dit soort uitspraken, zoals we na een jaar wennen aan het raaskallen van Trump via twitter.

Als dat zo is, dan gaan we dus wennen aan discriminatie. Immers hoe is de opmerking anders te verstaan als een oproep tot discrimineren en dus in strijd met artikel 1 van de grondwet waarin discriminatie op basis van godsdienst of levensovertuiging strafbaar is gesteld. Mijn goedaardige, bejaarde en gelovige Turkse buurman moet  wellicht vrezen dat hij de openbare bibliotheek, die hij zo graag bezoekt voor een krantje en een kop koffie, niet meer in mag? Staat er dan een bordje bij de ingang: ‘verboden voor moslims’?

Coen Verheij geeft als argumentatie dat de islam imperialistisch is en niet samengaat met democratie. Dat soort redeneringen kennen we. In de meest godsdiensten zitten imperialistische trekjes en erg democratisch gaat het er meestal niet aan toe. Zie de geschiedenis van het christendom tot nu toe. En de islam degraderen tot een ( gewelddadige) politieke ideologie is in strijd met elk gezond verstand. Binnen alle godsdiensten heb je allerlei stromingen van zeer gematigd/liberaal tot extreem/gewelddadig, zeker als je ze in historisch perspectief bekijkt. Alles op een hoop gooien is demagogie en stuitend voor al die brave en hardwerkende gelovige moslims. Zoals mijn bejaarde Turkse buurman die graag op de bibliotheek komt.

Ook wil Verheij alle moskeeën en een islamitische school in de stad sluiten. Eeuwen geleden deed de calvinistische overheid dat ten aanzien van katholieke kerken in ons land. Vanaf de Franse tijd en zeker na Thorbecke was dit definitief voorbij. Het voorstel van Verheij lijkt me dan ook in strijd met een ander artikel uit de grondwet namelijk artikel 6 waarin het vrij uitoefenen van godsdienst staat omschreven. Een waarde waar Nederlanders al eeuwenlang zo trots op zijn.

In dit alles lijkt Verheij een goede leerling van zijn beschermvrouwe Marjolein Faber. Zij mengde zich vorig jaar in een discussie over een -vanuit historisch-educatief oog punt!-  te bouwen moskee in het Openluchtmuseum ongemeen fel in de strijd. Ze noemde zo’n moskee een ‘haathut’ en ‘rotzooi’ die je je gezin bij een gezellig uitstapje toch wilt besparen…Een gerespecteerd parlementair journalist concludeerde al eens dat Wilders vergeleken bij Faber een watje is. En zo lijkt het wel.

Natuurlijk is er weer de verleiding dit alles te relativeren: het zijn wat rare uitspraken van een partij die aan de verliezende hand is… het zijn vooral uitspraken voor de eigen aanhang etc.

Dat relativeren lijkt me gevaarlijk. In de eerst plaats is het knagen aan de fundamenten van een rechtsstaat – hoe beperkt ook – altijd oppassen geblazen. Het gaat snel van kwaad tot erger. Dat leert de geschiedenis ons in allerlei toonaarden ( landen in jaren dertig), maar ook het heden ( denk aan Turkije en Polen). Maar zorgwekkender is het gegeven dat dit soort opmerkingen langzamerhand ‘bon ton’ beginnen te worden met een breed uitstralingseffect. Groepen Islamitische Nederlanders voelen zich meer en meer gestigmatiseerd door dit soort uitingen. Meer en meer Turkse en Marokkaanse Nederlanders voelen zich ongemakkelijk als ze zich uiten over hun geloof of cultuur. Jarenlange stigmatisering kan leiden tot het ontstaan van een soort tweederangsburgers met alle gevolgen van dien. Zover is het nog niet echt, maar ook hier geldt: het kan snel van kwaad tot erger escaleren, zeker als er rellen zouden ontstaan in achterstandswijken of er een aanslag van IS zou plaatsvinden. Al met al genoeg redenen om niet te gaan wennen aan discriminerende uitspraken en daar tegen op te treden, desnoods ook juridisch maar ook zeker via de media.

 

Leo Salemink

Historicus en ex-docent Geschiedenis

 

 

 

 

Oudste document familiegeschiedenis Salemink (uit: Tijnsboek Wisch, 1623)

Oudste document familiegeschiedenis Salemink (uit: Tijnsboek Wisch, 1623)

Datering: 1623

Inhoud: De kinderen van Hille op Saleminck ( een boerderij ergens tussen Silvolde en Sinderen in de Achterhoek) worden opgesomd in verband met de te betalen tijns ( soort grondbelasting, ontstaan vanuit horigheid). Als eerste wordt Johan Saleminck genoemd> Hij woont in Oer en betaalt vanaf 1612 een stuiver tijns. Hij is overleden in 1630 of 1631.

[ verderop in dit document  – niet in deze afbeelding ! –  worden de andere 7 kinderen van Hille genoemd: Hendrik, Beile, Altgen, Bernt, Diericken, Trui en Luitken. Ook allemaal in verband met de te betalen tijns]

Bron: Tijnsboek Wisch. In Gelders Archief  te Arnhem. Inv.nr: 0443-75.

Verder lezen ?: zie ons boek Ondankbare Grond, hoofdstuk 3.

Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber

Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber

Openluchtmuseum, een moskee en mevr. Faber. ( Leo / juni 2017)

 

Begin deze maand kwam de directie van het Openluchtmuseum in Arnhem met een voorlopig  plan om in een nog te realiseren naoorlogse wijk ook een moskee te bouwen in het kader van de toestroom van gastarbeiders uit bijvoorbeeld Turkije en Marokko. Ik neem aan dat men daarbij doelt op de eenvoudige gebedshuizen zoals die in oude loodsen of garages ontstonden. In veel Nederlandse steden zijn die te vinden. De Eyup Sultan moskee in Nijmegen en de Al Fath moskee in Arnhem zijn daar  goede  voorbeelden van.

De reacties waren direct heftig en massaal. Met name de reactie van mevr. Faber ( prominent PVV-er in de Gelderse Provinciale Staten en in de Eerste kamer) viel op: “De Islam heeft ons de oorlog verklaard. Dan wil je toch niet zo’n haathut in je museum. Ga je een dagje met je gezin op stap, sta je nog oog in oog met die rotzooi. ” Online kreeg ze veel bijval en…kritiek.

Na de ‘kopvoddentax’ en  de ‘minder Marokkanen-rel’ is er nu ‘de haathut’ om daarmee het gebedshuis aan te duiden waar zoveel goedwillende en hardwerkende Nederlandse moslims troost en kracht vinden.  Mevr. Faber had zich in de Eerste kamer ( november 2016) ook al in ongekend harde en venijnige bewoordingen uitgelaten over Syrische asielzoekers die ze aanduidde als ‘profiteurs uit de islamitische woestijn’, als ‘kansloze gelukszoekers’ en als ‘vijfde kolonne’. Een gerespecteerd parlementair journalist kon hierna slechts concluderen: vergeleken bij Marjolein Faber is Geert Wilders een watje.

Mevrouw Faber wil de Nederlandse geschiedenis herschrijven op basis van haar politieke PVV-standpunten. Opvallend is daarbij hoezeer deze toch hoogopgeleide dame -naast weinig kennis van de islam en de verschillende stromingen daarbinnen – een pijnlijk gebrek aan historisch besef ten toon spreidt. In haar toespraak in de Eerste kamer schetst ze hoe vanaf 1400 jaar geleden de islam naar het westen is getrokken met een spoor van verkrachtingen, moord en oorlog achter zich aan … De gewelddadige kruistochten vanuit West-Europa en het westers Imperialisme in de Arabische wereld blijken in haar visie niet te bestaan. Ook beseft ze niet hoezeer de islam historisch verbonden is met de Nederlandse cultuur. Niet alleen op basis van de arbeidsmigratie na de WO2 die toch niet te ontkennen valt, maar al veel eerder. Willem van Oranje vroeg al steun bij moslims in zijn strijd tegen Spanje.  En Nederland was eeuwenlang via haar kolonie Nederlands-Indië het grootste islamitische land ter wereld. Die eeuwenlange verbondenheid is overal terug te vinden in archieven, musea en boeken.  Of wil mevr. Faber ook het Nederlandse kolonialisme schrappen uit de geschiedenisboeken?

Wat betreft de woordkeuze van mevr. Faber in haar reactie op het voorstel van het openluchtmuseum en in haar toespraak in de Eerste kamer, kan men zich de woedde vanuit moslimhoek goed voorstellen. Je kunt en moet kritiek hebben op moslimextremisme, op de haatpreken van enkele imams of bijvoorbeeld op de positie van de vrouw binnen de islam.  Maar het getuigt van een giftige en haatdragende moraal om  te spreken over een ‘haathut’  en ‘die rotzooi’.

Zo stigmatiserend  en associatief (link met terroristen) te keer gaan tegen ‘de islam’ als geheel en tegen een bepaalde  Nederlandse bevolkingsgroep,  kan alleen maar averechtse reacties oproepen. Het zal de integratie van moslims bepaald niet bevorderen, lijkt me. Het doet je denken aan andere tijden die ik hier niet verder benoem om niet te vervallen in een zelfde taalgebruik als dat van mevr. Faber.

En als historicus zou ik willen toevoegen: De geschiedenis herschrijven naar eigen politieke inzichten is in de 20e veel gebeurd, door rechts en links; te denken valt aan de regimes van Hitler, Stalin , Honnecker, Mao en nog vele anderen. Hoe bescheiden ook, de reactie van mevr. Faber gaat in diezelfde richting. Is de volgende stap wellicht het weghalen van boeken over de islam of van islamitische schrijvers uit de openbare bibliotheek als niet passend bij het Nederlandse erfgoed? En hoe gaan onze geschiedenisboeken er dan uitzien? Laat het Openluchtmuseum zijn werk doen en laten we niet zwichten voor een politiek herschrijven van ons verleden. Als we het verleden naar onze hand gaan zetten, dan belooft dat weinig goeds voor de toekomst!

Leo Salemink

Historicus

Dubbele loyaliteit ( Theo)

Dubbele loyaliteit ( Theo)

Dubbele loyaliteit

Theo Salemink

 

Een paar dagen voor de verkiezing op 15 maart 2017  leek Rotterdam in vuur en vlam te staan. Turken demonstreerden omdat de Nederlandse regering en de lokale burgemeester twee ministers uit Turkije de toegang tot het land weigerden. De politie trad met macht op. Turken zwaaiden met Turkse vlaggen. Rellenschoppers gooiden stenen. De lijststrekker van de VVD, annex minister-president Mark Rutte zette hoog in. Wilders zag zijn kans schoon. De islam, de islam in aantocht, riep hij. De andere politici in verkiezingstijd, incluis Jesse Klaver, durfden geen afwijkende mening te uiten. Elk woord van begrip zou stemmenverlies betekenen in een populistisch klimaat. Er waaide een spook door Nederland – het spook van het populisme.

 

Waar gaat het over?

 

Bepaalde Nederlanders hebben een tweede nationaliteit. Bijvoorbeeld de helft van de Turken. Zij voelen zich verbonden met Nederland én met Turkije. De meesten van hen, zo lijkt, zijn aanhangers van Erdogan, herinneren zich de recente couppoging in Turkije, die Erdogan ternauwernood de baas werd. Zij leven mee met een staat ver weg, die met de middelen van geopolitiek een sterke plaats op het wereldtoneel wil heroveren, tussen Poetin en Trump, met de hete adem van een grote oorlog in het Midden-Oosten in de nek. Andere Nederlandse Turken voelen zich bedreigd, zien een dictatoriale ontwikkeling in hun eerste vaderland of worden als terrorist afgeschilderd. Nog andere Nederlanders, de oude inwoners, zijn verbijsterd over de aanval op de democratie, althans in hun ogen. Dat Nederlanders met Turkse vlaggen zwaaien vinden ze een gruwel. Dat Erdogan Nederlandse Turken ‘staatsburgers’ van Turkije noemt is vloeken in de kerk van het liberale-democratische Nederland van na de verzorgingsstaat. Dat de Turken bovendien moslims zijn roept oude en nieuwe angsten op.

 

Maar wat is het probleem?

 

Blijkbaar is het een probleem dat sommige Nederlanders een dubbele loyaliteit hebben, een dubbele nationaliteit, bovendien een loyaliteit met een autoritair regime in een andere staat. Nationalisme was in Europa na 1945 toch een negatieve ideologie geworden. Nationalisme, verbonden met discriminatie en racisme, was immers de voedingsbodem geweest van twee grote oorlogen en van een genocide tegen een groot deel van de Europese joden. Nooit meer oorlog, nooit meer racisme, nooit meer nationalisme, dat was de droom zeker van links. En nu blijken bepaalde Nederlanders opnieuw een sterk nationalisme te ontwikkelen. Niet voor het ’eigen’ land, Nederland, maar voor een ‘vreemd’ land: Turkije. Was Turkije een voorbeeldig, democratisch, liberaal land geweest, gevoed door een ‘Turkse lente’, trouw lid van de NAVO, zonder avances richting Poetin en Assad, dan was er geen probleem. Waarom zouden Turkse Nederlanders geen sentimentele binding met hun land van herkomst mogen hebben, zoals andere Nederlanders in Amerika, Canada of Nieuw Zeeland nog al wat Hollandse sentimenten hebben en exotische gebruiken uit hun oude vaderland in leven houden. Maar verbondenheid, zelfs politieke verbondenheid met een autoritair regiem, een bijna-dictatuur, een moslimland? Dat lijkte een brug te ver in het huidige klimaat.

 

Mohamed El Bachiri

 

Laat ik daar een ander verhaal tegenover zetten. Mohamed El Bachiri, een Belgische metrobestuurder van Marokkaanse komaf, verloor zijn vrouw Loubna tijdens de terroristische aanslagen in Brussel 2016. Hij bleef achter met kleine kinderen. Hij probeert niet te vallen in een voor de hand liggende reactie van haat en wraak tegen de moordenaars van zijn vrouw. Hij is zelf moslim, maar streeft een andere jihad na, een ‘jihad van liefde’, zoals het boekje heet dat hij schreef. Hij denkt na over zijn dubbele nationaliteit en loyaliteit. Hij zegt: “Dat ik bij twee landen hoor is een geluk bij een ongeluk. Ik ben een kind van Brussel, maar ik voel me ook gesteund door Marokko”. Zijn dubbele nationaliteit is hem in dit diep verdriet een steun en troost. Hij wordt zelfs door de koning van Marokko ontvangen, op diens kosten in het vliegtuig met de kinderen naar Marokko gereisd. De koning is een vader voor hem, maar voelt zich ook gesteund door de mensen in Brussel. Een ander beeld van een dubbele nationaliteit.

 

Katholieken

 

Ooit speelde in Nederland een andere discussie over dubbele loyaliteit. Het had te maken met het oude calvinisme, de nieuwe natiestaat na de Bataafse tijd en de katholieke minderheid. Katholieken zouden loyaal zijn aan een vreemd staatshoofd (de paus als hoofd van de Vaticaanse Staat in midden-Italië); katholieken droegen de witgele vlag van het Vaticaan; katholieken zouden de publieke ruimte van de nieuwe staat bevuilen met gevaarlijke rituelen, mn. processies; katholieken bouwden te hoge kerktorens (neogotische kerken), katholieken zouden antidemocratisch zijn; katholieken zouden ketters zijn en beleden een gevaarlijke, middeleeuwse godsdienst. Die confrontatie speelde niet enkel in de negentiende eeuw, maar ook nog na 1945. En het waren niet enkel conservatieve politici en orthodoxe protestanten die dit gevaar zagen. Laat ik het voorbeeld van de Hervormde Synode nemen uit het jaar 1950, maar ik begin bij C.J. Dippel.

 

C.J. Dippel (1923-1970) was een opmerkelijk figuur. Hij was geen theoloog van professie, maar wetenschappelijk medewerker bij het natuurkundig laboratorium van Philips in Eindhoven, een vrijplaats voor onconventionele denkers. Hij was lid van de PvdA tussen 1946 en 1961 en verliet de partij na een reeks teleurstellingen over de Indonesië-politiek, de Nieuw Guinea-politiek, de Navo-politiek en de atoombewapening. Dippel was ook redacteur, samen overigens met Banning, van het progressieve protestantse blad Wending. Maandblad voor evangelie en cultuur tussen 1946-1965. Hij wordt beschouwd als een criticus van ‘heidense cultuur’ en ‘christendommelijkheid’. In 1947 publiceerde Dippel het grote boek Kerk en wereld in crisis. Met als programmatische ondertitel Een appèl tot christelijke solidariteit in democratisch-socialistische politiek en maatschappelijke omwenteling. Dat boek gaat over veel zaken, maar ook over katholieken. Hij verwijt de katholieke kerk een ‘theocratische pretentie’. Opmerkelijk is ook dat hij het oude processieverbod ten opzichte van de katholieken verdedigt, een verbod dat in die dagen ook vanuit de PvdA opgeheven dreigde te worden. Vanuit zijn orthodoxe theologie stelt hij: “[de kern van het reformatorisch verzet is] dat de reformatorisch belijdende burger het niet kan dulden, dat de openbare straat en de politiemacht van de Staat gebruikt wordt voor een zaak, die in zijn ogen een godslastering en vervloekte afgoderij is. Hoeveel eerbied hij ook voor roomsche godsdienstigheid heeft – het knielen en eerbied bewijzen voor iets, wat niet goddelijk is, wordt door hem als afgoderij beschouwd. Dat mag de roomsche in zijn kerk doen en in zijn huis. Maar op de openbare straat zal de Staat deze ergernis voor andere burgers niet mogen toelaten”.[1] Kortom, de publieke ruimte mag niet door afgoden bezet worden, ook niet door katholieke afgoden, noch die van communisme of kapitalisme, zegt Dippel, die voor het overige kiest voor het socialisme.

 

Synode 1950

 

Deze antikatholieke attitude, gebaseerd op de barthiaanse visie op de ‘heidense rol’ van een natuurlijke religie binnen het katholicisme kan men ook terugvinden in een Herderlijk schrijven van de Hervormde Synode uit 1950 Betreffende de Rooms-Katholieke Kerk.[2] De synode noemt de katholieke kerk intolerant en antidemocratisch, wijst op de machtsstreven van deze kerk en over de gevaren van het katholicisme voor de geestelijke vrijheid van de burger: “Uit de vereenzelviging van het Koninkrijk Gods en de Kerk vloeit ook voort, dat de R.K. Kerk heel moeilijk tolerant kan zijn, d.w.z. aan andere levensovertuigingen moeilijk ruimte kan laten [… er is reden voldoende om] de R.K. Kerk te beschouwen als een voortdurende bedreiging voor de geestelijke vrijheid.”[3] Men wijst vervolgens op het heuglijke feit dat de laatste tijd vooraanstaande katholieke personen een pleidooi houden voor ‘echte geestelijke vrijheid als niet strijdig met de R.K. leer’. Men doelt daarbij naar alle waarschijnlijkheid op de geluiden uit de kring van katholieke personalisten en doorbraak-politici. De synode spreekt zijn bezorgdheid uit over ‘de afbuiging ten opzichte van het Evangelie der Schrift’ in de katholieke kerk. Daar wordt het Woord van God gelijk gesteld met het gezag van de kerk. Daarom moet de hervormde christen steeds ‘waakzaam’ zijn in de praktische samenwerking met de katholieke kerk.

Aan het synode-schrijven is een memorandum toegevoegd over de discussie met betrekking tot het processieverbod, in de lijn met de argumenten van de boven besproken Dippel. Een katholieke processie in de publieke ruimte is een uiting van absolutisme: “Met het processieverbod staat heel onze staats- en levensorde op het spel. De processie is immers de voorloopster van wat ons te wachten staat, als het R.K. absolutisme heel het publieke leven voor zich opeist. Waar de R.K. de overmacht heeft, is voor andersdenkenden niet meer speelruimte dan ze op straat hebben, wanneer ze een processie zien. Wij houden er ons van overtuigd, dat wij, om des gewetenswille protesteren tegen de straatprocessie, tevens opkomen voor wat Nederland tot Nederland heeft gemaakt, voor wat allen burgers gemeen en dierbaar is. Democratie kan niet rusten op een leeg en formeel vrijheidsbegrip. Een land waar allen vrij zijn om alles te doen, verliest die echte vrijheid. Daarmee kan ook het Rooms Katholicisme niet gediend zijn.”[4] Opmerkelijk is dat deze vijftig jaar later zo bekend klinkende ‘kultuurstrijd’ – maar in de nieuwe fase gericht tegen de islam – in 1950 niet gevoerd werd door conservatieve of liberale theologen maar door theologen die progressief waren, door Karl Barth gevoed en vaak met socialistische sympathieën.

De Hervormde Kerk en Dippel in 1950 verweten de katholieke kerk en de katholieke minderheid in Nederland een gebrek aan loyaliteit tegenover de Nederlandse natiestaat, tegenover democratie en rechtstaat, maar hadden ook kritiek op een gevaarlijke, religieuze kern van het katholicisme: theocratie. In de huidige discussies over Turken spelen al deze zaken opnieuw. Loyaliteit met een andere staat, geen respect voor democratie en rechtstaat en een gevaarlijke impuls vanuit een orthodoxe islam. Het is toch nog goed gekomen met de katholieken in Nederland. Maar die geschiedenis kan wel gelden als een soort waarschuwing in het heden. Misschien zijn de grote woorden tegen Turken en islam wel erg door de waan van de dag en een verkeerd soort liberalisme en christelijke steilheid brepaald.

 

Nieuwe uitdaging

 

De uitdaging voor het nieuwe kabinet na de verkiezing van 15 maart 2017 is niet om de dubbele nationaliteit en loyaliteit met repressieve maatregelen onder druk te zetten, maar om bestuurlijk en mentaal te aanvaarden dat er in toenemende mate Nederlanders zullen zijn die een dubbele politieke loyaliteit hebben, die zij niet zullen opgeven, en dat ze onder druk hun tweede loyaliteit fel zullen verdedigen. Dat betekent ook dat Nederland in de toekomst niet enkel een interne politieke verdeeldheid kent, tussen rechts en links, tussen groen en niet-groen, tussen confessioneel en niet-confessioneel, maar ook een externe verdeeldheid. De politieke conflicten en verdeeldheid van bijvoorbeeld het Turkse ‘moederland’ zullen binnen Nederland hun plaats hebben. Het is net als met vrijheid van meningsuiting.  De staat en de politici moeten niet van bovenaf de inhoud van de meningen van de burgers voorschrijven en invullen. De rechtstaat geeft via de wet de grenzen van de vrije meningsuiting aan. Zo zal het ook gaan met de vrijheid van politieke vereniging en politieke meningsuiting van bijvoorbeeld Turkse Nederlanders. Zo lang ze zich aan de Nederlandse wet houden is er geen probleem, ook al zullen bepaalde politici en regeringsvertegenwoordigers de meningen en demonstraties van een deel van de Turken afschuwelijk vinden. Dat mag. Persoonlijk zie ik in de ontwikkeling onder Erdogan ook een groot probleem. Maar de staat en de politiek gaan niet over persoonlijke visies en gevoelens.

Maar is het zwaaien met Turkse vlaggen tegen de wet? De staat is van ons allen. Maar de staat is er niet voor om allen op te voeden. De staat is er voor om rechtsgelijkheid en rechtsbescherming aan allen te geven, ook als men het inhoudelijk of moreel niet eens is met het optreden van bepaalde burgers.

Op politiek niveau betekent dat ook dat de omgang met het ‘Turkse-Erdogan sentiment’ niet via een polarisatie vanuit een meerderheid met verbaal en politiek geweld bestreden moet worden, maar dat ook hier het aloude Nederlandse poldermodel een rol kan spelen. Compromissen nastreven. Samenwerken met groepen die ideologische of anderszins ver van elkaar af staan, zoals ook ooit liberalen en socialisten elkaar uit noodzaak opzochten, zonder elkaar te willen vernietigen. Accepteer als politicus dat bepaalde Turks-Nederlandse burgers optreden en spreken over de ‘Turkse kwestie’ op een manier die niet gedeeld wordt door velen democratische, liberale en socialistische medeburgers, maar dat met repressie optreden tegen deze Turkse Nederlanders geen recht doet aan de rechtstaat. Maar ga tegelijk met alle overtuiging in gesprek en debat met elkaar. Rutte had de ministers van Turkije ook met egards kunnen ontvangen, een zwarte limousine beschikbaar stellen vanaf Schiphol, maar tegelijk had hij met deze politici mee kunnen gaan en samen met hen een toespraak houden op een AK-bijeenkomst om zijn visie uit te leggen. Is dit multiculturele utopie of praktisch realisme?

 

[1] C.J. Dippel, Kerk en wereld in crisis. Een appèl tot christelijke solidariteit in democratisch-socialistische politiek en maatschappelijke omwenteling, ‘s-Gravenhage 1947, 445.

[2] Herderlijk Schrijven van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk betreffende de Rooms-Katholieke Kerk, ’s-Gravenhage 1950.

[3] Idem, 66-67.

[4] Idem, 90.